C-554/19 Staatsanwaltschaft Offenburg

Prejudiciële zaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 10 september 2019
Schriftelijke opmerkingen: 27 oktober 2019

Trefwoorden : Schengen, identiteitscontroles, nationale regeling,

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode);

 

Feiten:

De verdachte, een Franse staatsburger met woonplaats in Frankrijk, reed op 20-07-2018 op de Straßburger Straße in Kehl (Duitsland). Naar aanleiding van een controle tussen Kehl en Straatsburg werd vastgesteld dat hij niet in het bezit was van een rijbewijs. Uit een aantekening van de politie volgt dat de controle plaats vond ter voorkoming en bestrijding van illegale migratie alsook van grensoverschrijdende criminaliteit overeenkomstig §12(1)(1-4) BPolG. Voorts heeft de politie enkel aangetekend dat de uitgevoerde controle „een steekproefsgewijze, onregelmatige en niet-permanente maatregel” was. Ten tijde van de controle vonden in dit deel van de grens geen tijdelijke grenscontroles overeenkomstig hoofdstuk II van de Schengengrenscode plaats. Het openbaar ministerie verzoekt de rechter om aan verdachte een geldboete op te leggen wegens het rijden zonder rijbevoegdheid, middels een strafbeschikking.

 

Overweging:

De rechtspraak van het Hof geeft aan dat artikel 67, lid 2, VWEU alsook de artikelen 20 en 21 van verordening 562/2006 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, waarbij aan de politiediensten van de betrokken lidstaat de bevoegdheid wordt toegekend de identiteit van iedere persoon te controleren in een gebied tot 30 km landinwaarts vanaf de landgrens van deze lidstaat met andere staten die partij zijn bij de te Schengen ondertekende Overeenkomst, tenzij de regeling in kwestie die bevoegdheid zodanig afbakent dat de feitelijke uitoefening ervan niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles. Het Duitse federale Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft een besluit uitgevaardigd tot nadere regeling van de uitvoering van de bevoegdheden voor identiteitscontroles door de federale politie in de grensgebieden overeenkomstig § 23, lid 1, punt 3, BPolGDe. De verwijzende rechter vraagt zich af of dit besluit voldoet aan de door het Hof met betrekking tot het vereiste wettelijke kader gestelde voorwaarden. Verder stelt de verwijzende rechter dat uit Duits strafprocesrecht en rechtspraak volgt dat er in de onderhavige zaak geen verbod zou zijn op het gebruik van het bewijsmateriaal verkregen tijdens een controle waarbij Unierechtelijke voorschriften worden geschonden. Hierdoor rijst de vraag of het Unierecht verlangt dat het gebruik in een strafprocedure van bevindingen en bewijzen die in strijd met het Unierecht zijn verkregen, zonder meer wordt verboden of dat in de te verrichten belangenafweging in ieder geval de belangen van de Europese Unie op passende wijze in aanmerking worden genomen, zodat minstens in geval van lichte criminaliteit het belang dat de lidstaat heeft bij strafvervolging, als ondergeschikt moet worden aangemerkt.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 67, tweede alinea, VWEU alsook de artikelen 22 en 23 van verordening (EG) nr. 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode), aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die de politiediensten van de betrokken lidstaat de bevoegdheid verleent om de identiteit van iedere persoon te controleren in een gebied tot 30 km landinwaarts vanaf de landgrens van deze lidstaat met andere staten die partij zijn bij de op 19 juni 1990 te Schengen (Luxemburg) ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, om de illegale binnenkomst of het illegale verblijf op het grondgebied van die lidstaat te voorkomen of te bestrijden dan wel om bepaalde strafbare feiten te voorkomen die de veiligheid van de grenzen aantasten, los van het gedrag van de betrokken persoon of van het bestaan van bijzondere omstandigheden, en de regeling in kwestie bij ministerieel besluit wordt aangevuld als volgt:

,,a) Grensoverschrijdende criminaliteit vindt dynamisch plaats (in tijd, plaats en met behulp van verschillende vervoermiddelen) en vereist daarom flexibeler politiebevoegdheden om deze te bestrijden. De uitoefening van voornoemde bevoegdheid beoogt het voorkomen of bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit.

b) De controles moeten worden uitgevoerd binnen het strikte kader van de in artikel 21, onder a), van de Schengengrenscode vermelde criteria. De uitoefening ervan moet duidelijk verschillen van systematische personencontroles aan de buitengrenzen en niet hetzelfde effect hebben als grenscontroles. De uitvoering van deze controles moeten wederom binnen een zodanig kader vallen, dat wordt gewaarborgd dat deze qua intensiteit en frequentie niet overeenkomen met grensoverschrijdingscontroles.

c) Dit kader is als volgt gepreciseerd:

De controles vinden niet voortdurend plaats, maar onregelmatig op uiteenlopende tijdstippen, op verschillende plaatsen en steekproefsgewijs waarbij rekening wordt gehouden met de verkeersdrukte. De controles vinden niet alleen naar aanleiding van de grensoverschrijding plaats. Zij worden uitgevoerd op grond van voortdurend geactualiseerde terreinkennis en/of van ervaring op het gebied van grenstoezicht, die de federale politiediensten verwerven op basis van eigen informatie of die van andere autoriteiten. Om die reden vormen algemene of concrete politiële informatie over en/of ervaringen met grensoverschrijdende criminaliteit, bijvoorbeeld over vaak gebruikte transportmiddelen en -wegen, bepaalde gedragingen en de analyse van de beschikbare informatie over grensoverschrijdende criminaliteit die uit eigen bronnen of van andere autoriteiten afkomstig zijn, het uitgangspunt voor de uitoefening van politiemaatregelen alsook voor de intensiteit en frequentie daarvan. De uitvoering van de controles is onderworpen aan regelmatig hiërarchisch en technisch toezicht. Fundamentele regelingen zijn opgenomen in § 3, lid 1, vierde zin, van de Gemeinsame Geschäftsordnung der Bundesministerien (gemeenschappelijk reglement van orde van de federale ministeries; hierna:,,GGO”) en de grondbeginselen voor de uitoefening van het technisch toezicht door de federale ministeries op het werkterrein. Deze worden voor het werkterrein van de federale politie geconcretiseerd door de „Ergänzenden Bestimmungen zur Ausübung der Dienst- und Fachaufsicht des BMI über die Bundespolizei” (Aanvullende bepalingen inzake de uitoefening van het toezicht door het Ministerie van Binnenlandse Zaken op de federale politie). Het Bundespolizeipräsidium (toezichthoudende autoriteit van de federale politie) en de daaronder vallende overheidsinstanties en -diensten hebben de uitvoering van het hiërarchisch en technisch toezicht geregeld in hun werkverdelingsplannen en in eigen concepten omgezet.

d) Ter vermijding van dubbele controles moeten de controlemaatregelen zo mogelijk met andere autoriteiten worden afgesproken of binnen het kader van gezamenlijke operaties of samenwerkingsregelingen worden uitgevoerd.”?

2. Moet het recht van de Europese Unie, in het bijzonder artikel 4, lid 3, tweede alinea, [VEU], artikel 197, lid 1, VWEU en artikel 291, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich, zonder meer of na afweging tussen het belang van vervolging en het belang van de verdachte, verzet tegen het gebruik van bevindingen of bewijsmiddelen in een strafprocedure wanneer deze zijn verkregen tijdens een politiecontrole van de verdachte die is verricht in strijd met artikel 67, lid 2, VWEU of de artikelen 22 en 23 van verordening (EU) nr. 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Strafzaak t. A (C-9/16), (C-276/01)

Specifiek beleidsterrein: JenV; BZK