C-555/19

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 5 september 2019
Schriftelijke opmerkingen: 22 oktober 2019

Trefwoorden : media; vrij verkeer; diensten; vrijheid omroepwezen; gelijkheidsbeginsel

Onderwerp :

- VWEU;

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

- Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten);

 

Feiten:

Verzoekster is een Oostenrijkse modeonderneming. Zij exploiteert meerdere modehuizen in Oostenrijk en in Beieren (deelstaat Duitsland). Verzoekster wil dat verweerster (SevenOne Media) reclame in het tv-programma “ProSieben” laat uitzenden, maar dan alleen in Beieren en dus niet in heel Duitsland. Aangezien verzoekster plaatselijk actief is, volstaat een regionale reclameboodschap (wat ook nog eens een lagere prijs heeft). Op 25.05.2018 heeft verzoekster met verweerster een overeenkomst gesloten om reclame op te nemen in het tv-programma “ProSieben” (alleen in Beieren). Verweerster weigert de reclameboodschappen op te nemen en uit te zenden. Hoewel zij onbetwist technisch in staat is om op regio’s gerichte reclame te laten uitzenden, stelt zij dat zij de overeenkomst niet kan nakomen op grond van mediarechtelijke voorschriften. Het gaat om de Rundfunkstaatsvertrag (akkoord tussen de deelstaten betreffende het omroepwezen en de telecommunicatiemiddelen, hierna: RStV). Uit §7(11) RStV blijkt dat voor de niet-landelijke uitzending van reclame een afzonderlijke, op het recht van de deelstaat gebaseerde, vergunning is vereist.

 

Overweging:

§7(11) RStV kan mogelijkerwijs een schending vormen van i) artikel 56 VWEU (vrij verrichten van diensten), ii) artikel 11 van het Handvest (vrijheid van het omroepwezen en meningsuiting), en iii) het beginsel van gelijke behandeling. De beslechting van het geschil hangt af van het antwoord op de – door het Hof tot nu toe niet beantwoorde – prejudiciële vragen. Ingeval §7(11) RStV in strijd is met het Unierecht, zou verzoekster van verweerster nakoming van de overeenkomst kunnen vorderen (de contractueel overeengekomen uitzending in de deelstaat Beieren van op deze regio gerichte reclame). Ingeval het Unierecht daarentegen niet in de weg staat aan §7(11) RStV, zou verweerster overeenkomstig §275(1) BGB (Duits burgerlijk wetboek) van haar nakomingsverplichting zijn ontslagen.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moeten

a) artikel 4, lid 1, van richtlijn 2010/13/EU,

b) het Unierechtelijke gelijkheidsbeginsel en

c) de in artikel 56 VWEU vervatte beginselen inzake de vrijheid van dienstverrichting, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationaalrechtelijke regeling die de regionale uitzending van reclame in voor de gehele lidstaat toegelaten omroepprogramma’s verbiedt?

2. Moet de eerste vraag anders worden beantwoord wanneer naar nationaal recht een wettelijke regeling is toegestaan, volgens welke regionale uitzending van reclame bij wet kan worden toegestaan en in dat geval met een – vereiste aanvullende – vergunning van de overheid is toegelaten?

3. Moet de eerste vraag anders worden beantwoord wanneer de facto geen gebruik wordt gemaakt van de in de tweede vraag beschreven mogelijkheid om regionale reclame toe te staan en bijgevolg regionale reclame altijd verboden is?

4. Moet artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelet op artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden alsmede de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, en met name het beginsel van diversiteit van informatie, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die is beschreven in de eerste, de tweede en de derde vraag?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Corporación Dermoestética C-500/06; United Pan-Europe Communications Belgium NV e.a. C-250/06; Yellow Cab Verkehrsbetriebs GmbH C-338/09; Nova Gorica e.a. C-176/11;

Specifiek beleidsterrein: OCW;