C-561/19 Consorzio Italian Management e Catania Multiservizi

C-561/19 Consorzio Italian Management e Catania Multiservizi

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 18 september 2019
Schriftelijke opmerkingen: 4 november 2019

Trefwoorden : bevoegdheid rechter; aanbesteding;

Onderwerp :

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikelen 16 en 28;

- Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten;

 

Feiten:

Consorzio Italian Management en de vennootschap Catania Multiservizi SpA (verzoekers) komen op tegen uitspraak nr. 433, waarbij de eerste kamer van de TAR het beroep tegen de nota van 22.02.2012 van Rete Ferroviaria Italiana SpA (verweerder) heeft verworpen. In die nota heeft verweerder het verzoek tot verhoging van de vergoeding voor de uitvoering van een opdracht wegens hogere kosten als gevolg van een stijging van de personeelskosten ongegrond verklaard en afgewezen. De betrokken aanbesteding betreft een opdracht van verweerder voor de uitvoering van schoonmaakdiensten in stations, vestigingen, kantoren en bureaus. Verzoekers stellen dat de nationale voorschriften, waarin prijsherzieningen in de vervoerssector zijn uitgesloten, indruisen tegen richtlijn 2004/17. Het Hof verklaart in zaak C-152/17 dat richtlijn 2004/17 niet in de weg staat aan nationale rechtsregels als die in het hoofdgeding. Verzoekers vragen de verwijzende rechter om zich tot het Hof te wenden met nieuwe prejudiciële vragen. Zij betogen dat de uitspraak van het Hof geen standpunt inneemt over het eventuele functionele verband tussen de schoonmaakdiensten en de vervoersdiensten, waarbij zij opmerken dat er in het arrest vanuit wordt gegaan dat de contractuele verhouding bestaat gedurende de termijn die in de aankondiging van de opdracht is bepaald. De werkelijkheid is anders in Italië, waar dienstenovereenkomsten vaak worden verlengd voor onbepaalde duur. Dit zou het contractueel evenwicht van tal van overheidsopdrachten voor diensten hebben verstoord: de prijsherziening zou een middel kunnen zijn om het evenwicht te herstellen.

 

Overweging:

Dit hoger beroep heeft opnieuw betrekking op uitspraak nr. 433/2014 van de TAR, die reeds heeft geleid tot een prejudiciële verwijzing naar het Hof (C-152/17). Appellanten hebben aan de verwijzende rechter echter nieuwe prejudiciële vragen gesteld, waarvan hij van mening is dat zij gedeeltelijk aan het Hof moeten worden voorgelegd. Bovendien stelt deze rechter een voorafgaande vraag over de verplichting om een nieuwe prejudiciële vraag voor te leggen met betrekking tot een vraag die ex novo door appellanten wordt opgeworpen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Is de nationale rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, op grond van artikel 267 VWEU in beginsel ook verplicht het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende een vraag over de uitlegging van het Unierecht wanneer die vraag door een partij wordt gesteld nadat de zaak aanhangig is gemaakt of de terechtzittingen zijn begonnen, of nadat de zaak al een eerste keer in beraad is geweest of het Hof van Justitie van de Europese Unie al een eerste prejudiciële vraag is voorgelegd?

2) Zijn om de hierboven uiteengezette redenen de artikelen 115, 206 en 217 van wetsbesluit nr. 163/2006, zoals uitgelegd in het bestuursrecht, voor zover zij prijsherziening uitsluiten voor overeenkomsten betreffende de zogenoemde bijzondere sectoren – in het bijzonder bij opdrachten die een ander voorwerp hebben dan die welke zijn vermeld in richtlijn 2004/17, maar met deze laatste functioneel verbonden zijn – verenigbaar met het Unierecht (met name met artikel 4, lid 2, artikel 9, artikel 101, lid 1, onder e), artikel 106, artikel 151 en in het bijzonder met het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende Europees Sociaal Handvest en het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989 die daarin zijn aangehaald, artikel 152, artikel 153 en artikel 156 VWEU; de artikelen 2 en 3 VEU; en artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie)?

3) Zijn om de hierboven uiteengezette redenen de artikelen 115, 206 en 217 van wetsbesluit nr. 163/2006, zoals uitgelegd in het bestuursrecht, voor zover zij prijsherziening uitsluiten voor overeenkomsten betreffende de zogenoemde bijzondere sectoren – in het bijzonder bij opdrachten die een ander voorwerp hebben dan die welke zijn vermeld in richtlijn 2004/17, maar met deze laatste functioneel verbonden zijn – verenigbaar met het Unierecht (met name met artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het beginsel van gelijke behandeling dat is verankerd in de artikelen 26 en 34 VWEU, en het beginsel van vrijheid van ondernemerschap dat ook in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt erkend)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-44/96

Specifiek beleidsterrein: BZK; EZK; JenV