C-568/19 Subdelegación del Gobierno en Toledo

C-568/19 Subdelegación del Gobierno en Toledo

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 7 oktober 2019
Schriftelijke opmerkingen: 23 november 2019

Trefwoorden: rechtstreekse werking richtlijn; derdelander; legaliteit

Onderwerp:

- Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven;

 

Feiten:

In Spanje is illegaal verblijf op grond van artikel 53(1)a) OW 4/2000 een administratieve inbreuk. Hiervoor bestaat een sanctieprocedure die leidt tot oplegging van administratieve sancties. Volgens de oorspronkelijke formulering van deze wet werd illegaal verblijf enkel met een geldboete bestraft. Door een wetswijziging werd verwijdering een alternatief voor de geldboete. Er waren echter geen concrete criteria om voor de ene of de andere sanctie te kiezen. Op 14.01.2017 werd tegen MO (Colombiaanse nationaliteit) een verwijderingsprocedure ingeleid. MO vond dat hem een geldboete moest worden opgelegd en dat hij, gelet op zijn banden met Spanje en het ontbreken van ongunstige factoren, niet mocht worden verwijderd. De Subdelegado del Gobierno en Toledo (verweerder) heeft een verwijderingsbesluit uitgevaardigd. MO stelde beroep in, welke werd verworpen in het licht van C-38/14. Volgens dat arrest “dient richtlijn 2008/115 aldus te worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan in geval van illegaal verblijf van onderdanen van derde landen op het grondgebied van die staat, naargelang van de omstandigheden, ofwel een geldboete wordt opgelegd ofwel de verwijdering wordt gelast, waarbij beide maatregelen elkaar wederzijds uitsluiten.” MO stelde vervolgens hoger beroep in bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

De verwijzende rechter heeft twijfels over de gevolgen die het arrest in C-38/14 heeft voor de Spaanse bestuurlijke en rechterlijke instanties wat de rechtstreekse werking van richtlijnen betreft. Volgens de verwijzende rechter is de Tribunal Supremo van oordeel dat het Hof het probleem van de “omgekeerde of neerwaartse verticale werking” al heeft opgelost door deze werking te erkennen in het arrest C-38/14.

Volgens de uitlegging die de Tribunal Supremo eraan geeft, verklaart dit arrest het Spaanse recht niet alleen onverenigbaar met het Unierecht, maar verplicht het de Spaanse rechterlijke instanties ook de richtlijn rechtstreeks toe te passen ten nadele van de particulier. Hoewel sommige punten van het arrest een zekere twijfel hieromtrent kunnen doen ontstaan, kan dit arrest volgens de verwijzende rechter nooit dat gevolg hebben, aangezien de beslissing van het Hof dan in tegenspraak zou zijn met overvloedige eerdere rechtspraak. Daarom heeft de verwijzende rechter besloten de onderhavige prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof.

 

Prejudiciële vraag:

Is de uitlegging van het arrest van het Hof van 23 april 2015 (C-38/14, Zaizoune) in die zin dat de Spaanse bestuurlijke en rechterlijke instanties richtlijn 2008/115/EG rechtstreeks kunnen toepassen ten nadele van een derdelander, waarbij gunstiger nationale sanctiebepalingen niet in overweging worden genomen en buiten toepassing worden gelaten, waardoor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokkene wordt verzwaard en het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen mogelijk wordt geschonden, verenigbaar met de rechtspraak van het Hof over de grenzen van de rechtstreekse werking van richtlijnen, en moet het feit dat de Spaanse wetgeving niet in overeenstemming is met de richtlijn, in plaats van op die wijze, niet worden verholpen middels een wetswijziging of volgens de procedures waarin het Unierecht voorziet om een lidstaat ertoe te verplichten richtlijnen naar behoren om te zetten?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-38/14; 148/78; 152/84; 80/86; C-91/92; C-168/95; 14/86; C-554/2014; C-42/17 M.A.S en M.B; C-129/00 Commissie/Italië;

Specifiek beleidsterrein: JenV; JenV-dmb