C-584/19 Staatsanwaltschaft Wien

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 30 september 2019
Schriftelijke opmerkingen: 16 november 2019

Trefwoorden : EAB; rechterlijke autoriteit

Onderwerp :

- Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken;

- Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten;

 

Feiten:

Het openbaar ministerie van Hamburg (hierna: OM) voert een strafrechtelijk onderzoek naar A en andere onbekende daders wegens oplichting. Verdachten zouden in 2018 13 overschrijvingsopdrachten hebben vervalst, op grond waarvan in totaal €9.775,04 is overgemaakt naar een specifieke bankrekening. Die bankrekening staat op naam van A en is geopend bij een Oostenrijkse bank. Het OM heeft een Europees onderzoeksbevel uitgevaardigd en aan het openbaar ministerie Wenen toegezonden. Hierin wordt het openbaar ministerie Wenen verzocht om toezending van kopieën van diverse documenten met betrekking tot de Oostenrijkse bankrekening. Overeenkomstig bepalingen uit het Oostenrijke wetboek van strafvordering (StPO) verzoekt het openbaar ministerie Wenen de verwijzende rechter om goedkeuring voor het inwinnen van de gevraagde informatie.

 

Overweging:

Volgens het Duitse wetboek op de rechterlijke organisatie (GVG) kan het OM instructies ontvangen van de senator van Justitie in Hamburg. Deze heeft een ondergeschikte positie ten opzichte van de Landesjustizverwaltung Hamburg (instantie van de betrokken deelstaat die belast is met de rechtsbedeling) die een orgaan van de uitvoerende macht is. De verwijzende rechter stelt daarom de vraag in hoeverre het arrest OG en PI (C-508/18 en C-82/19 PPU) over kaderbesluit 2002/584/JBZ geldt ten aanzien van richtlijn 2014/41. Volgens het openbaar ministerie Wien geldt het arrest OG en PI niet ten aanzien van richtlijn 2014/41, temeer daar de richtlijn ‒ anders dan het kaderbesluit ‒ uitdrukkelijk ook openbaar ministeries als mogelijke uitvaardigende autoriteiten aanwijst. Volgens het OM laat het arrest OG en PI richtlijn 2014/41 eveneens onverlet, daar de bevoegdheden en de uitvaardigende autoriteiten in deze richtlijn anders zijn gedefinieerd dan in het kaderbesluit. Aangezien de Europese wetgever in de richtlijn uitdrukkelijk ook een officier van justitie als uitvaardigende autoriteit heeft aangewezen, is bewust en met kennis van de verschillende rechtsstelsels van de lidstaten een regeling getroffen die afwijkt van andere rechtsinstrumenten van de EU. Bovendien mag de richtlijn, die is gebaseerd op het beginsel van wederzijdse erkenning en het scheppen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht tot doel heeft, niet leiden tot een slechtere situatie dan vóór de inwerkingtreding ervan.

 

Prejudiciële vraag:

Moeten het begrip „rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, en het begrip „officier van justitie” in de zin van artikel 2, onder c), i), van voormelde richtlijn aldus worden uitgelegd dat hieronder ook de openbare ministeries van een lidstaat vallen, die het risico lopen dat zij in het kader van de vaststelling van een besluit over de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel rechtstreeks of indirect worden aangestuurd door of instructies ontvangen van de uitvoerende macht, zoals de senator van Justitie in Hamburg?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: OG C-508/18; PI C-82/19 PPU; Minister for Justice and Equality C-216/18 PPU;

Specifiek beleidsterrein: JenV;