C-604/19 Gmina Wrocław

C-604/19 Gmina Wrocław

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 30 oktober 2019
Schriftelijke opmerkingen: 16 december 2019

Trefwoorden : btw; onroerend goederen;

Onderwerp :

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

 

Feiten:

Verzoekster (gemeente Wrocław) heeft bij de belastingdienst een verzoek ingediend om een individuele ruling. Het betrof de vraag of btw dient te worden geheven over vergoedingen die krachtens de wet worden betaald voor de omzetting van het recht van eeuwigdurend vruchtgebruik in een eigendomsrecht. De gemeente is een actieve geregistreerde btw-plichtige eigenaar van onroerende goederen waarop een recht van eeuwigdurend vruchtgebruik is gevestigd. De houder van het recht van eeuwigdurend vruchtgebruik betaalt een jaarlijkse vergoeding. Per 01.01.2019 zal de gemeente de eigendom verliezen van deze onroerende goederen. De houders van het recht van eeuwigdurend vruchtgebruik zullen eigenaar worden van de percelen. Door deze omzetting zullen de nieuwe eigenaren een omzettingsvergoeding aan de gemeente moeten betalen. Deze vergoeding zal ieder jaar over een periode van 20 jaar vanaf de omzetting moeten worden betaald. De belastingdienst heeft vastgesteld dat sinds 01.05.2004 (de toetreding van Polen tot de EU) de vestiging van een eeuwigdurend vruchtgebruik moet worden aangemerkt als een levering van goederen die aan de btw onderworpen is. Met betrekking tot de handelingen waarvoor de gemeente vergoedingen zal ontvangen, zal zij derhalve handelen als btw-plichtige. De gemeente heeft beroep ingesteld tegen de individuele ruling. De omzetting van het recht van eeuwigdurend vruchtgebruik in een eigendomsrecht heeft volgens de gemeente geen gevolgen voor de “feitelijke macht” die de vruchtgebruiker reeds heeft verworven op het moment van de overdracht van het recht van eeuwigdurend vruchtgebruik, en kan daarom niet worden behandeld als een nieuwe levering van hetzelfde goed. De gemeente stelt dat de omzetting van het recht van eeuwigdurend vruchtgebruik in een eigendomsrecht op hetzelfde perceel niet onderworpen is aan de btw.

 

Overweging:

De twijfels die in casu zijn gerezen, betreffen in eerste instantie de kwalificatie van de omzetting krachtens de wet van een recht van eeuwigdurend vruchtgebruik op percelen in een eigendomsrecht. De verwijzende rechter wenst te vernemen of deze omzetting een aan de btw onderworpen levering van goederen uitmaakt in de zin van de btw-richtlijn. Indien het Hof tot de conclusie komt dat geen sprake is van een levering van goederen in de zin van artikel 14(2)a) jo artikel 2(1)a)van de btw-richtlijn, moet worden ingegaan op het betoog dat door partijen is gevoerd, en op de daarin tot uitdrukking gebrachte twijfels. Mocht het Hof verschil maken tussen handelingen van de gemeente als publiekrechtelijk lichaam en als eigenaar, zou verder nog de vraag moeten worden beantwoord of handelingen waarbij het gaat om de gebruikelijke uitoefening van het eigendomsrecht door de houder van dit recht, op zichzelf genomen niet als uitoefening van een economische werkzaamheid kunnen worden beschouwd.

 

Prejudiciële vraag:

1. Vormt de omzetting krachtens de wet van een recht van eeuwigdurend vruchtgebruik op een onroerend goed in een eigendomsrecht, onder omstandigheden als in de onderhavige zaak, een levering van goederen in de zin van artikel 14, lid 2, onder a), juncto artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: richtlijn 2006/112), die aan de btw onderworpen is?

2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, vormt de omzetting krachtens de wet van een recht van eeuwigdurend vruchtgebruik op een onroerend goed in een eigendomsrecht dan een levering van goederen in de zin van artikel 14, lid 1, juncto artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112, die aan de btw onderworpen is?

3. Handelt een gemeente die een vergoeding ontvangt voor de omzetting krachtens de wet van een recht van eeuwigdurend vruchtgebruik op een onroerend goed in een eigendomsrecht, onder omstandigheden als in de onderhavige zaak, als belastingplichtige in de zin van artikel 9, lid 1, juncto artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112 dan wel als publiekrechtelijk lichaam in de zin van artikel 13 van richtlijn 2006/112?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Nederland C-79/09; Gmina Wrocław C-72/13; Isle of Wight Council e.a. C-288/07;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal