C-61/19 Orange Romania

Prejudiciële hofzaak

 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 22 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 8 mei 2019

Trefwoorden : bescherming persoonsgegevens;

Onderwerp :

- Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens;

 

Feiten:

Orange is een leverancier van mobiele-telecommunicatiediensten op de Roemeense markt. Aangezien de activiteit van de vennootschap de verwerking van persoonsgegevens omvat, is Orange ingeschreven in het Register inzake de verwerking van persoonsgegevens van de nationale autoriteit voor het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens (hierna: ANSPDCP). Op 26.03.2018 heeft de ANSPDCP een onderzoek ingesteld betreffende een lokale verkooppunt om te controleren of Orange de bepalingen van wet nr. 677/2001 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en die van wet nr. 506/2004 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie, zoals later gewijzigd en aangevuld, in acht neemt. Bij het proces-verbaal is onder meer op grond van artikelen 8 en 32 van wet nr. 677/2001 van deze wet een bestuursrechtelijke sanctie aan Orange opgelegd, op grond dat het kopieën van de identiteitsdocumenten van zijn klanten had verzameld en bewaard zonder dat zij hiervoor hun uitdrukkelijke toestemming hadden gegeven.

 

Overweging:

De Roemeense wetgever heeft de definitie van de in artikel 2h) van de richtlijn vervatte uitdrukking “toestemming van de betrokkene” niet overgenomen. Orange betoogde dat de ANSPDCP zich ten aanzien van haar niet op deze bepaling kon beroepen omdat het Hof in 152/84 heeft geoordeeld dat de bepalingen van een niet-omgezette richtlijn niet kunnen worden ingeroepen tegen particulieren, zodat Orange enkel het bestaan van de toestemming van haar medecontractanten, met inachtneming van de civielrechtelijke betekenis van die begrippen, dient aan te tonen om de aan de orde zijnde verwerking uit te voeren. Ingeval de verwijzende rechter van oordeel is dat artikel 2h) van de richtlijn tegen de vennootschap kan worden ingeroepen en Orange dientengevolge dient te bewijzen dat de toestemming van haar contractuele tegenpartijen specifiek is en op informatie berust, om de betrokken verwerking uit te voeren, is de verwijzende rechter van oordeel dat de onderhavige zaak niet kan worden afgedaan zonder eerst de betekenis van de in artikel 2 h), van de richtlijn opgenomen uitdrukking “specifieke en op informatie berustende wilsuiting” vast te stellen.

 

Prejudiciële vragen:

1. Aan welke voorwaarden moet volgens artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens worden voldaan om een wilsuiting te kunnen aanmerken als een specifieke en op informatie berustende wilsuiting?

2. Aan welke voorwaarden moet volgens artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens worden voldaan om een wilsuiting te kunnen aanmerken als een vrije wilsuiting?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Marshall/Southampton and South-West Hampshire Area Health Authority (Teaching) 152/84

Specifiek beleidsterrein: JenV

​​​​​​​