C-611/19 Crewprint

C-611/19 Crewprint

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 6 november 2019
Schriftelijke opmerkingen: 23 december 2019

Trefwoorden : belastingen, btw-aftrek, belastingontduiking, fiscale neutraliteit

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

 

Feiten:

Verzoekster, een onderneming die druk- en drukkerijdiensten verleent, had orders aangenomen voor het vervaardigen van drukwerken die zijn uitgevoerd door haar hoofdaannemer Crew Kft., deels met inschakeling van andere onderaannemers. Tijdens een controle op de btw-aangiften van verzoekster is een btw-verschil vastgesteld welke als belastingschuld is aangemerkt en waarover een belastingboete is opgelegd. Naar aanleiding van het onderzoek heeft de belastingautoriteit geconcludeerd dat de drukwerkzaamheden hoofdzakelijk door Crew Kft. werden uitgevoerd. Crew Kft. had derhalve onrechtmatig facturen over drukkerijdiensten ontvangen en in aftrek gebracht en vervolgens de verschuldigde belasting met gebruikmaking van valse facturen van onderaannemers verminderd op zodanige manier dat de belastingplichtigen die aan het einde van de bewust opgebouwde factureringsketen stonden geen btw betaalden. Volgens de belastingautoriteit zijn deze feiten en de belastingontduiking door Crew Kft. bij verzoekster noodzakelijkerwijs en objectief bekend, aangezien de directeur van de twee ondernemingen dezelfde persoon was en de twee ondernemingen dezelfde zetel, dezelfde vestigingsplaats en dezelfde boekhouder hadden. Verzoekster heeft daarom ernstige inbreuk gemaakt op het in de belastingwet verankerde beginsel van rechtsuitoefening te goeder trouw. Verzoekster stelt in haar vordering dat voldaan was aan de wettelijke vereisten en zij derhalve recht had op aftrek. Met betrekking tot de vraag of zij wist dat zij belasting ontdook geeft zij aan dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de ontvanger van een factuur geen belastingcontrole hoeft uit te oefenen en ook niet verplicht is onderzoek te doen naar alle ketendeelnemers.

 

Overweging:

De bestuurs- en arbeidsrechter van Hongarije vraagt zich af of het enkele feit dat de belastingdienst naar aanleiding van een controle heeft vastgesteld dat de inhoud van de facturen ongeloofwaardig is, een basis kan vormen voor de weigering van het recht op btw-aftrek. Het is voor de verwijzende rechter twijfelachtig of de richting, de reikwijdte en de diepgang van een dergelijke controle in overeenstemming zijn met de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid. Voorts rijst de vraag of de praktijk van de belastingdienst voldoet aan de eis van bewijslevering overeenkomstig de wettelijke verplichtingen, wanneer hij van de belastingplichtige een controle van de omstandigheden verwacht met een grondigheid die onverenigbaar is met de termijn voor het verrichten van transacties in het economische verkeer en die om andere redenen objectief gezien onmogelijk is, terwijl hij de omstandigheden die hebben geleid tot de instelling van de keten niet volledig in kaart brengt. Samengevat wenst de verwijzende rechter met zijn vragen te vernemen of de omvang, de diepgang en de reikwijdte van het bewijs dat de belastingdienst eist als voorwaarde om het recht op btw-aftrek uit te oefenen, die door de hoogste rechter Hongarije als rechtmatig zijn aangemerkt – mede gelet op het beginsel van fiscale neutraliteit – ook betrekking hebben op de relevante feiten en noodzakelijk en evenredig zijn met name in het licht van de omstandigheid dat de belastingdienst verzoekster verwijt dat zij in de belastingprocedure ontoereikend bewijs heeft geleverd en haar bovenop de weigering van het recht op aftrek een fiscale geldboete oplegt.

 

Prejudiciële vragen:

1) Zijn een nationale uitlegging en praktijk verenigbaar met de relevante bepalingen [betreffende btw-aftrek] van richtlijn 2006/112 en met het beginsel van fiscale neutraliteit wanneer zij ertoe leiden dat de belastingdienst het recht [op aftrek van de btw] over een tussen partijen tot stand gekomen economische handeling weigert op grond dat de vorm van de rechtsbetrekking tussen partijen (overeenkomst van aanneming) frauduleus is aangezien die het recht op aftrek meebrengt, en de rechtsbetrekking bijgevolg op basis van § 1, lid 7, van de belastingwet kwalificeert als een activiteit (dienstverlening als agent) waarvoor geen recht op aftrek bestaat, daar het gedrag van de partijen naar zijn mening gericht was op belastingontduiking – het was namelijk niet noodzakelijk dat de activiteiten van de ontvanger van de factuur [die vorm van bedrijfsactiviteit] aannamen; hij had die activiteiten ook als agent kunnen uitvoeren? In samenhang daarmee, rust op de belastingplichtigen als voorwaarde voor de uitoefening van het recht op btw-aftrek de belastingrechtelijke verplichting om voor hun economische activiteiten een vorm te kiezen die voor hen resulteert in een hogere belastingdruk? Kan het als een misbruik worden aangemerkt wanneer partijen voor hun economische activiteiten, in de uitoefening van hun contractvrijheid en met het oog op niet-fiscale doeleinden, een contractvorm kiezen die het niet-beoogde effect meebrengt dat zij recht op belastingaftrek hebben?

2) Zijn een nationale uitlegging en praktijk verenigbaar met de relevante bepalingen [betreffende btw-aftrek] van richtlijn 2006/112 en met het beginsel van fiscale neutraliteit wanneer zij ertoe leiden dat de belastingdienst aan een belastingplichtige die voldoet aan de materiële en formele voorwaarden voor het recht [op btw-aftrek] en die vóór de sluiting van de overeenkomst alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verwacht, dat recht weigert op grond dat hij het tot stand brengen van de keten uit economisch oogpunt niet noodzakelijk acht en dat er dus sprake is van misbruik, aangezien de onderaannemer, ondanks dat die in staat is om de diensten te verlenen, om niet-fiscale doeleinden daar andere onderaannemers voor inschakelt, en omdat de belastingplichtige die het recht [op btw-aftrek] wil uitoefenen ten tijde van de aanvaarding van de opdracht wist dat zijn onderaannemer de overeenkomst bij gebreke van materiële en personele middelen zou uitvoeren met inschakeling van zijn eigen onderaannemers? Wordt het antwoord op de vraag beïnvloed door het feit dat de belastingplichtige of zijn onderaannemer een onderaannemer in de keten heeft betrokken met wie hij een directe relatie heeft dan wel een persoonlijke of organisatorische band (persoonlijke kennis, familie- of eigendomsverband)?

3) Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt: is aan de eis om de feiten vast te stellen op basis van objectieve omstandigheden voldaan wanneer de belastingdienst in een procedure waarin hij de economische relatie tussen de belastingplichtige die zijn recht op [btw-aftrek] wenst uit te oefenen en diens onderaannemer als irrationeel en ongerechtvaardigd aanmerkt, deze vaststelling uitsluitend baseert op de getuigenverklaringen van een aantal werknemers van de onderaannemer, zonder de kenmerken en specifieke omstandigheden van de economische activiteit die voorwerp is van de overeenkomst of de betrokken economische omgeving op basis van objectieve omstandigheden te onderzoeken en zonder de beslissingsbevoegde bestuurders van de belastingplichtige en de bij de keten betrokken onderaannemers te horen? Zo ja, is het dan relevant of de belastingplichtige of de deelnemers aan de keten in staat zijn om de diensten te verrichten en is het noodzakelijk om een deskundige aan te stellen om dat te onderzoeken?

4) Zijn een nationale uitlegging en praktijk verenigbaar met richtlijn 2006/112 en het doeltreffendheidsbeginsel wanneer zij ertoe leiden dat de belastingdienst, ondanks dat aan de materiële en formele voorwaarden [voor btw-aftrek] is voldaan en alle [redelijkerwijs] te verwachten maatregelen zijn genomen, de belastingfraude bewezen acht en het recht op btw-aftrek weigert op basis van omstandigheden die volgens arresten van het Hof niet objectief zijn en het recht [op btw-aftrek] niet beïnvloeden, louter op grond dat die omstandigheden zich in hun geheel voordoen bij een voldoende groot aantal van de onderzochte deelnemers aan de vastgestelde keten?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-446/15 C-80/11 en C-142/11, C-283/81; C-444/12

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal