C-617/19 Granarolo

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 28 oktober 2019
Schriftelijke opmerkingen: 14 december 2019

Trefwoorden : Emissies, installatie, vergunningen

Onderwerp :

- Richtlijn 2003/87/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29/EG en richtlijn 2018/410/EU. Inzonderheid: artikel 3, lid 1, onder e), wat betreft de definitie van „installatie”, en onder f); artikel 4, betreffende de vergunningsverplichting om de in bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG genoemde activiteiten te kunnen verrichten; artikel 6; artikel 7 betreffende de aanpassing van de vergunning in geval van wijzigingen.

- Leidraad van de Europese Commissie van 18 maart 2010, „Guidance on interpretation of Annex I of the EU ETS Directive (excl. Aviation activities)”.

- Leidraad „Guidance document no. 6 – guidance on cross boundary heat flows” van 14 april 2011.

 

Feiten:

Verzoeker, Granarolo S.p.A is een vennootschap die werkzaam is in de levensmiddelensector van verse melk en de productie en distributie van zuivelproducten. Granarolo S.p.A. heeft een fabriek met een warmtecentrale voor de productie van de voor haar verwerkingsprocessen benodigde warmte waarvoor zij een ETS-vergunning heeft. Daarnaast geldt voor deze fabriek de regeling voor kleine emittenten met het oog op de monitoring en bewaking van de CO2-uitstoot. Granolo S.p.A. heeft de fabriek na het installeren van een warmtekrachtinstallatie, overgedragen aan vennootschap E.On. en het ETS-comité verzocht om de ETS vergunning te wijzigen en de toegestane emissies opnieuw vast te stellen, door de emissiebron betreffende de warmtekrachtinstallatie uit deze vergunning te verwijderen en van de berekening van de CO2-emissie van Granarolo S.p.A. uit te sluiten. Bij besluit 6-06-2018 heeft het ETS-comité dit verzoek evenwel afgewezen op grond dat de warmtekrachtinstallatie weliswaar was overgedragen, maar er tussen deze installatie en de fabriek van Granarolo S.p.A. hoe dan ook een zodanige functionele interconnectie bestond dat de warmtekrachtinstallatie bij de ETS-vergunning niet buiten beschouwing kon worden gelaten. Granarolo S.p.A. heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en is o.a. van mening dat dat het ETS-comité ten onrechte de hele productielocatie van Pasturago di Vernate, die de fabriek van verzoekster en de aan E.On overgedragen warmtekrachtinstallatie omvat, als één installatie heeft aangemerkt, en heeft geoordeeld dat er een functionele interconnectie tussen de fabriek en de installatie bestaat. Volgens verzoekster veronderstelt deze interconnectie dat de twee installaties niet los van elkaar kunnen werken en heeft het ETS-comité in casu een louter technische verbinding tussen de twee installaties ten onrechte aangemerkt als „functionele interconnectie”. In werkelijkheid zijn deze twee installaties in functioneel opzicht zelfstandig en dient de instrumentele technische verbinding uitsluitend voor de in de overeenkomst bedongen levering van energiediensten.

Volgens verweerder, Ministero dell’ambiente, is het afwijzingsbesluit gebaseerd op de stelling dat een warmtekrachtinstallatie, ook als die zich buiten de productielocatie bevindt, moet worden geacht deel uit te maken van één installatie indien zij technisch in verband staat met de technische productie-eenheid en invloed kan hebben op de totale emissies, aangezien zij in dat geval onderworpen is aan het beginsel dat per installatie één vergunning wordt verleend. Verder blijft verzoeker op grond van de overeenkomst tussen E.On en Granarolo S.p.A. economische beschikkingsbevoegdheid houden die beslissend is voor het technische gebruik van de warmtekrachtinstallatie.

 

Overweging:

 

De verwijzende rechter vraagt zich af of het begrip “installatie” uit artikel 3 onder e) van richtlijn 2003/87/EG aldus moet worden uitgelegd dat het ook een geval omvat als in de onderhavige zaak aan de orde is en of er sprake kan zijn van activiteiten die “technisch in verband staan” als er tussen de warmtekrachtinstallatie en een fabriek een zodanige verbinding bestaat dat deze fabriek haar activiteiten ook kan voortzetten indien de energievoorziening wordt onderbroken of de warmtekrachtinstallatie niet of niet goed werkt.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003, tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, aldus worden uitgelegd dat het begrip „installatie” ook een geval omvat als in de onderhavige zaak aan de orde is, waarin een warmtekrachtinstallatie die verzoekster op haar bedrijfsterrein heeft gebouwd om de energievoorziening aan haar fabriek te garanderen vervolgens door de verkoop van een bedrijfsonderdeel is overgedragen aan een andere, in energie gespecialiseerde vennootschap op grond van een overeenkomst waarin is bedongen, enerzijds, dat de warmtekrachtinstallatie en de voor het gebruik van de installatie en voor de uitoefening van de activiteit vereiste certificaten, documenten, verklaringen van overeenstemming, licenties, concessies, autorisaties en vergunningen aan de cessionaris worden overgedragen, en hem opstalrecht op het bedrijfsterrein wordt verleend dat passend is voor en functioneel is aan het beheer en het onderhoud van de installatie, en hem erfdienstbaarheden worden toegekend ten behoeve van de centrale die als warmtekrachtinstallatie wordt gebruikt, met de omliggende exclusieve zone, en, anderzijds, dat de cessionaris 12 jaar lang door deze installatie geproduceerde energie aan de cedent zal leveren tegen de in de overeenkomst vastgestelde prijzen?

2) Kan er inzonderheid sprake zijn van activiteiten die „technisch in verband staan” als bedoeld in dit artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87/EG indien er tussen een warmtekrachtinstallatie en een fabriek een zodanige verbinding bestaat, dat deze fabriek, die een andere eigenaar heeft – ondanks dat zij voor de levering van energie een geprivilegieerde betrekking met de warmtekrachtinstallatie heeft (aansluiting via elektriciteitsdistributienet, speciale leveringsovereenkomst met het energiebedrijf waaraan de installatie is overgedragen, verbintenis van laatstgenoemde een minimale hoeveelheid energie aan de fabriek te leveren, met dien verstande dat anders het verschil tussen de marktprijzen voor energie en de in de overeenkomst vastgestelde prijzen wordt vergoed, korting op de verkoopprijzen van de energie die met ingang van tien jaar en zes maanden na de inwerkingtreding van de overeenkomst van toepassing zijn, de toekenning aan de cedent van een optie om de warmtekrachtinstallatie op elk gewenst tijdstip terug te kopen, en het vereiste van toestemming van de cedent voor werkzaamheden aan de warmtekrachtinstallatie) – haar activiteiten ook kan voortzetten indien de energievoorziening wordt onderbroken of de warmtekrachtinstallatie niet of niet goed werkt?

3) Tot slot, indien een installatie voor energieproductie door de bouwer daarvan, die op hetzelfde bedrijfsterrein een fabriek heeft, met het oog op een grotere efficiëntie feitelijk wordt overgedragen aan een andere, in energie gespecialiseerde vennootschap, kunnen dan de mogelijkheid dat de emissies van deze installatie naar aanleiding van de overdracht niet in aanmerking worden genomen voor de ETS-vergunning van de eigenaar van de fabriek en het eventuele gevolg dat deze emissies buiten het ETS-systeem vallen omdat de installatie voor energieproductie, op zichzelf, de drempel voor de kwalificatie als kleine emittent niet overschrijdt, worden aangemerkt als een schending van de regel van aggregatie van bronnen als bedoeld in bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG of vormen zij louter een legitiem gevolg van de organisatorische keuzen van de exploitanten, dat niet door het ETS-systeem wordt verboden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK, IenW