C-64/20 An tAire Talmhaíochta Bia agus Mara, Éire agus an tArd-Aighne

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     1 april 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     18 mei 2020

Trefwoorden : rechtstreekse werking; daadwerkelijke rechtsbescherming; geneesmiddelen dieren

Onderwerp :

-           Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik;

-           Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 (waarvan de toepassing is uitgesteld tot en met 28 januari 2022);

 

Feiten:

De bijsluiters bij veterinaire producten in Ierland zijn uitsluitend in het Engels opgesteld, en niet in de twee officiële talen van de staat (Iers en Engels). Dit vormt volgens verzoeker een schending van richtlijn 2001/82, die volgens hem dan ook verkeerd is omgezet in de Ierse wetgeving. De rechter heeft geoordeeld dat Ierland de richtlijn inderdaad niet correct in nationaal recht had omgezet door toe te staan dat de informatie in de bijsluiters uitsluitend in het Engels werd vermeld. De rechter merkte daarnaast op dat Verordening (EU) 2019/6 pas na de behandeling van het beroep door de rechter is vastgesteld.  Deze verordening zou vanaf 28-01-2022 in werking treden. Deze verordening bevat nieuwe taalvoorschriften waardoor het mogelijk is de gegevens op de verpakking alleen in het Engels te vermelden. De rechter heeft zich vervolgens afgevraagd of het zinvol zou zijn de vordering van verzoeker toe te wijzen gelet op deze toekomstige wijziging. En, wanneer het niet zinvol zou worden geacht, of de nationale rechter kan beslissen de vordering niet toe te wijzen terwijl Ierland in strijd handelt met het Unierecht.

 

Overweging:

Volgens de rechter in eerste aanleg moet een nationale rechter, indien hij de discretionaire bevoegdheid heeft om te weigeren een vordering toe te wijzen ondanks het feit dat die rechter heeft beslist dat het nationale recht geen uitvoering heeft gegeven aan het in richtlijn 2001/82 neergelegde vereiste om de verpakking en etikettering van veterinaire producten in de twee officiële talen ter beschikking te stellen, specifiek in deze zaak zijn bevoegdheid uitoefenen en weigeren de vordering toe te wijzen. De rechter wenst te vernemen of dit niet in strijd is met het beginsel van rechtstreekse werking of het beginsel van een daadwerkelijke rechterlijke bescherming.

 

Prejudiciële vragen:

1) Heeft een nationale rechter de discretionaire bevoegdheid om te weigeren een vordering toe te wijzen ondanks zijn beslissing dat het nationale recht geen uitvoering heeft gegeven aan een specifiek aspect van een richtlijn van de Europese Unie en, indien hij over die bevoegdheid beschikt, met welke elementen moet rekening worden gehouden met betrekking tot de discretionaire bevoegdheid en/of mag de nationale rechter rekening houden met dezelfde elementen als die welke hij in aanmerking zou nemen bij de behandeling van een schending van het nationale recht?

2) Wordt het beginsel van rechtstreekse werking in het Unierecht geschonden indien de nationale rechter in casu weigert een vordering toe te wijzen wegens de inwerkingtreding van artikel 7 van verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 (waarvan de toepassing is uitgesteld tot en met 28 januari 2022), ook al heeft hij beslist dat het nationale recht geen uitvoering heeft gegeven aan het in de artikelen 61, lid 1, 58, lid 4, en 59, lid 3, van richtlijn 2001/82/EG neergelegde vereiste, dat erin bestaat dat de verpakking en de etikettering van de veterinaire producten in de officiële talen van de lidstaten zijn opgesteld, dat wil zeggen in Ierland in het Iers en in het Engels?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: JenV; EZK