C-640/19 Azienda Agricola

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 4 november 2019
Schriftelijke opmerkingen: 21 december 2019

Trefwoorden : landbouw; quota;

Onderwerp :

- Verordening (EEG) nr. 1898/87 van de Raad van 2 juli 1987 betreffende de bescherming van de benaming van melk en zuivelprodukten bij het in de handel brengen;

- Verordening (EEG) nr. 1984/83 van de Commissie van 22 juni 1983 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen exclusieve afnameovereenkomsten;

- Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwprodukten en levensmiddelen;

 

Feiten:

In het kader van de melkquotaregeling heeft de AGEA (Agenzia per le Erogazioni in Agricoltura) een aantal landbouwbedrijven verzocht een extra heffing te betalen omdat zij de individuele referentiehoeveelheden voor het melkprijsjaar 2008/2009 hadden overschreden. Verzoekers – de betrokken landbouwbedrijven – hebben bij de bestuursrechter in eerste aanleg bezwaar gemaakt tegen het verzoek van de AGEA en alle daaraan verbonden nota’s. Verzoekers stellen voorop dat Italië nooit hoeveelheden melk heeft geproduceerd, of had kunnen produceren, die de melkquota van dit land overschrijden. Verzoekers voeren aan dat de BOB-melkproducten (beschermde oorsprongsbenaming) niet moeten worden meegerekend bij de uitgebreide markt, omdat zij niet concurreren met vergelijkbare algemene producten. Verzoekers vorderen nietigverklaring van de litigieuze handelingen omdat de BOB-melkproductie niet van de berekening van de gegarandeerde totale hoeveelheid is uitgesloten. Subsidiair stellen zij de vraag of de toepasselijke bepalingen van verordening 3590/92 en verordening 536/93 met het VWEU verenigbaar omdat zij volgens hen inbreuk maken op artikel 39 VWEU en schending opleveren van de communautaire beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen, evenredigheid en non-discriminatie. Verweerders voeren daartegen aan dat het ten aanzien van de heffingen vastgestelde besluit zonder enige discretionaire marge rechtstreeks voortvloeit uit een geautomatiseerd systeem, dat gegevens verwerkt die de producenten zelf hebben ondertekend en nooit hebben betwist.

 

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat de verordeningen uitdrukkelijk verwijzen naar de “zuivelmarkt van de Gemeenschap”. Verondersteld wordt dat de markt (uitsluitend) het continent bestrijkt. Verder wordt in de overwegingen van verordening 1898/87 nergens uitdrukkelijk verwezen naar de bereiding en de verhandeling van deze producten voor export naar landen buiten de EU, maar alleen naar die op het grondgebied van de lidstaten. Ook de rechtspraak van het Hof (C-480/00 JT) lijkt uitsluitend betrekking te hebben op het lot van de producten die voor consumptie binnen de EU bestemd zijn. De verwijzende rechter trekt daaruit de conclusie dat niet is voldaan aan het juridisch-functionele vereiste om de hoeveelheden melk voor de productie van naar landen buiten de EU te exporteren kazen met een BOB in het kader van de nationale referentiehoeveelheden in aanmerking te nemen. Daarom vraagt hij het Hof om zijn uitlegging te bevestigen en, indien het Hof dat inderdaad doet, of de aldus uitgelegde bepalingen van Unierecht in de weg staan aan de nationale omzettingsregeling (en de daaropvolgende uitvoeringsbesluiten) voor zover daarin is bepaald dat deze melk wel in aanmerking wordt genomen, en niet wordt uitgesloten.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten verordening (EEG) nr. 856/1984, artikelen 1, 2 en 3; verordening (EEG) nr. 3950/92, artikel 1 en artikel 2, lid 1; verordening (EG) nr. 1788/2003, artikel 1, lid 1, en artikel 5; verordening (EG) nr. 1234/2007, artikelen 55, 64 en 65, en de bijlagen daarbij, voor zover zij strekken ter bescherming van het evenwicht tussen vraag en aanbod van zuivelproducten in de EU-markt, aldus worden uitgelegd dat de productie die bedoeld is voor de export van kazen met een BOB naar landen buiten de EU, van de berekening van de melkquota wordt uitgesloten, overeenkomstig de beschermingsdoeleinden die voor deze producten zijn vastgesteld in verordening (EEG) nr. 2081/92, artikel 13, zoals bevestigd bij verordening (EG) nr. 510/2006 en verordening (EG) nr. 1151/2012, artikelen 4 en 13, bij wijze van tenuitvoerlegging van de beginselen in de artikelen 32 (ex artikel 27), 39 (ex artikel 33), 40 (ex artikel 34) en 41 (ex artikel 35) VWEU?

2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: staat deze aldus uitgelegde regeling eraan in de weg dat de melk voor de productie van kazen met een BOB die bestemd zijn voor export naar landen buiten de EU bij de individuele referentiehoeveelheden worden inbegrepen, zoals voortvloeit uit artikel 2 van decreto-legge nr. 49 van 28 maart 2003, met wijzigingen omgezet in wet nr. 119 van 30 mei 2003, en artikel 2 van wet nr. 468 van 26 november 1992, voor zover daarin wordt verwezen naar het voornoemde artikel 2 van decreto-legge nr. 49/2003? Subsidiair, indien deze uitlegging onjuist wordt geacht:

3) Zijn verordening (EEG) nr. 856/1984, artikelen 1, 2 en 3; verordening (EEG) nr. 3950/92, artikel 1 en artikel 2, lid 1; verordening (EG) nr. 1788/2003, artikel 1, lid 1, en artikel 5; verordening (EG) nr. 1234/2007, artikelen 55, 64 en 65, en de bijlagen daarbij (samen met de nationale omzettingsbepalingen als bedoeld in artikel 2 van decreto-legge nr. 49 van 28 maart 2003, met wijzigingen omgezet in wet nr. 119 van 30 mei 2003, en artikel 2 van wet nr. 468 van 26 november 1992, voor zover waarin wordt verwezen naar het voornoemde artikel 2 van decretolegge nr. 49/2003) – volgens welke bepalingen de melk die wordt gebruikt voor de productie van kazen met een BOB die bestemd zijn voor of worden geëxporteerd naar de markt van landen buiten de EU, en wel voor zover deze kazen worden geëxporteerd, bij de berekening van de aan de lidstaten toegewezen hoeveelheid in aanmerking worden genomen en daarvan niet worden uitgesloten – in strijd met de beschermingsdoelen van verordening (EEG) nr. 2081/92 inzake de bescherming van producten met een BOB, en inzonderheid artikel 13 daarvan, zoals bevestigd bij verordening (EG) nr. 510/2006 en verordening (EG) nr. 1151/2012, en met de beschermingsdoelen van artikel 4 van verordening (EG) nr. 1151/2012, en eveneens in strijd met de artikelen 32 (ex artikel 27), 39 (ex artikel 33), 40 (ex artikel 34), 41 (ex artikel 35) VWEU, en met de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen, evenredigheid en non-discriminatie, en met de vrijheid van economisch handelen met het oog op export naar landen buiten de EU?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-480/00 JT

Specifiek beleidsterrein: LNV;