C-643/18 British Airways

C-643/18 British Airways

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 05 december 2018
Schriftelijke opmerkingen: 21 januari 2019

Trefwoorden: compensatie luchtreizigers;

Onderwerp:

- Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: verordening);

Feiten:

Verzoekster had een bevestigde boeking voor enkele opeenvolgende vluchten (Wenen– Londen Heathrow– Hong-Kong – Auckland). Verweerster, die de eerste vlucht moest uitvoeren, had daarvoor oorspronkelijk “vliegtuig A” willen inzetten waarmee eerder op de dag andere vluchten zouden worden uitgevoerd. Verzoekster bereikte haar eindbestemming met een aankomstvertraging van zes uur en tien minuten. Verzoekster vordert toewijzing van een compensatie van €600,- vermeerderd met rente, overeenkomstig artikel 7(1) van de verordening. Zij betoogt in wezen dat mist in Londen Heathrow geen buitengewone omstandigheid vormt, omdat mist er veelvuldig voorkomt. Verweerster zou niet alle redelijke maatregelen hebben getroffen om de vertraging/annulering van de litigieuze vlucht te voorkomen. Weersverschijnselen kunnen alleen als buitengewoon worden aangemerkt wanneer zij niet herhaaldelijk en vrijwel dagelijks in het luchtverkeer kunnen plaatsvinden. Verweerster stelt dat mist hooguit enkele dagen per jaar voor problemen zorgt in Londen in het luchtverkeer. Verzoekster werd rechtstreeks vanuit Wenen op de snelst mogelijke vlucht naar haar eindbestemming omgeboekt en een snellere vlucht zou niet beschikbaar zijn geweest. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering in volle omvang toegewezen. De rechter oordeelde dat er sprake is van een zakelijke beslissing van de luchtvaartmaatschappij wanneer zij een vliegtuig in rotatie inzet en de volgende vlucht met ernstige vertraging moet worden uitgevoerd omdat de voorgaande vlucht vertraging heeft opgelopen. Aangezien het een economische beslissing van de luchtvaartmaatschappij is om een vliegtuig in rotatie in te zetten, behoort zij daarvan ook het risico te dragen. Ruim vóór het tijdstip waarop de litigieuze vlucht volgens schema had moeten worden uitgevoerd, was geen sprake meer van slechte weersomstandigheden (mist) of van beperkingen die waren opgelegd door de luchtverkeersleiding, zodat zich ook geen buitengewone omstandigheid voordeed waardoor verweerster overeenkomstig artikel 5(3) van de verordening zou worden ontslagen van de verplichting tot compensatiebetaling. Verweerster ging hiertegen in hoger beroep. Verzoekster concludeert tot verwerping van het hoger beroep en sluit zich inhoudelijk in wezen aan bij de uiteenzettingen van de rechter in eerste aanleg.

Overweging:

Er is geen uniforme rechtspraak van nationale rechterlijke instanties voorhanden over de vraag of de buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5(3) van de verordening, rechtstreeks betrekking moeten hebben op de vlucht zelf die een recht op compensatie kan doen ontstaan, dan wel of het volstaat dat de uitzonderlijke omstandigheden alleen rechtstreeks betrekking hadden op voorafgaande vluchten die met hetzelfde, in rotatie ingezette vliegtuig werden uitgevoerd (of moesten worden uitgevoerd). In C-315/15 lijkt het Hof stilzwijgend aan te nemen dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, maar het heeft daarover geen expliciet standpunt ingenomen. Dat deze vraag een antwoord behoeft, blijkt alleen al uit het feit dat reeds in de zaken C-347/13, C-575/13 en C-257/16 vergelijkbare vragen aan het Hof zijn voorgelegd, waarop echter geen antwoord is gegeven, omdat de betrokken hoofdgedingen op een andere wijze werden beslecht.

Prejudiciële vragen:

[a] Moet artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 aldus worden uitgelegd dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, zich ook kan beroepen op buitengewone omstandigheden die zich niet hebben voorgedaan tijdens de door de luchtreiziger geboekte vlucht, maar wel op dezelfde dag tijdens een – niet onmiddellijk – daaraan voorafgaande vlucht met het vliegtuig dat in het kader van een rotatievlucht moest worden ingezet voor de vlucht die door de luchtreiziger was geboekt?

[b] Moet artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 aldus worden uitgelegd dat „alle redelijke maatregelen” die de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, in geval van buitengewone omstandigheden moet hebben getroffen om een verplichting tot betaling van compensatie krachtens artikel 7 van die verordening af te wenden, alleen op de voorkoming van de „buitengewone omstandigheden” [in casu de toewijzing van nieuwe (latere) „air-trafficcontrol- slots” door de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart (Eurocontrol)] gericht moeten zijn; of dient de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, bovendien ook redelijke maatregelen te treffen om de annulering of de grote vertraging zelf te voorkomen?

[c] Indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, inderdaad redelijke maatregelen moet treffen om een grote vertraging zelf te voorkomen, moet artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 dan aldus worden uitgelegd dat de luchtvaartmaatschappij, ter afwending van een verplichting tot betaling van compensatie krachtens artikel 7 van die verordening, bij een vervoer van passagiers op een uit twee (of meer) vluchten bestaande

luchtverbinding ermee kan volstaan redelijke maatregelen te treffen om te voorkomen dat de door haar uit te voeren vlucht die vertraging dreigt op te lopen, daadwerkelijk vertraging oploopt; of moet zij bovendien redelijke maatregelen treffen om te voorkomen dat de individuele passagier met grote vertraging op de eindbestemming aankomt (bijvoorbeeld door na te gaan of een omboeking op een andere vlucht mogelijk is)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-402/07 en C-432/07; C-315/15; C-11/11; C-549/07; C-658/13.

Specifiek beleidsterrein: IenW; EZK

​​​​​​​