C-654/19 FP Passenger Service

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    22 november 2019
Schriftelijke opmerkingen:                    8 januari 2020

Trefwoorden : aankomsttijd; vertraging; vliegtijd; opening deuren; compensatie

Onderwerp :

•          Verordening 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91;

 

Feiten:

De passagier, die verzoekster in voorliggende zaak bijstaat, beschikte over een bevestigende boeking bij de verwerende vliegtuigmaatschappij voor een vlucht van Hurghada Egypte, geplande vertrektijd 10:50 uur, naar Wenen, geplande aankomsttijd 15:20 uur. Door een vertraging, die te verwijten was aan de betrokken vliegtuigmaatschappij, was de daadwerkelijke vertrektijd 14:22. Het vliegtuig stond op zijn eindpositie om 18:17 uur en om 18:22 uur volgde een mededeling aan de passagiers dat het vliegtuig de eindbestemming had bereikt. De passagiers zijn vervolgens via een vliegtuigtrap uit het vliegtuig gestapt en met een bus naar de terminal vervoerd. De vluchtafstand tussen Hurghada en Wenen bedraagt meer dan 1500, maar minder dan 3500 kilometer. Verzoekster is van mening dat 18:22 uur moet worden aangehouden als tijdstip waarop de eindbestemming is bereikt. Dit heeft tot gevolg dat de vertraging meer dan drie uur heeft geduurd, waardoor wordt verzocht om een bijbehorende vergoeding. Verweerster daarentegen noemt 18:17 als het tijdstip waarop de eindbestemming is bereikt, en weigert de verzochte vergoeding te betalen. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen en heeft ter motivering aangevoerd dat voor de berekening van de vertraging enkel van belang is om te weten wat het verschil is tussen de geplande en daadwerkelijke aankomsttijd.

 

Overweging:

Indachtig het arrest C-452/13 wil de verwijzende rechter vernemen of voor de berekening van de vertraging van een vliegreis, rekening moet worden gehouden met het verschil tussen het tijdstip waarop de deuren daadwerkelijk zijn geopend en de geplande aankomsttijd, ofwel met het verschil tussen het tijdstip waarop de deuren daadwerkelijk zijn geopend en het tijdstip waarop de deuren vermoedelijk zouden zijn geopend indien de vlucht op de geplande aankomsttijd was aangekomen. De verwijzende rechter twijfelt hierover omdat de daadwerkelijke vliegtijd altijd langer is dan de geplande vliegtijd. Tussen de landing en het openen van de deuren zit altijd nog tijdverschil. Deze zou moeten worden meegenomen in de berekening van de vermoedelijke aankomsttijd.

 

Prejudiciële vragen:

Moeten de artikelen 5, 6 en 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 aldus worden uitgelegd dat, gelet op het arrest van het Hof [van 4 september 2014, (C-452/13, EU:C:2014:2141)], volgens welk arrest het tijdstip waarop de deuren zijn geopend bepalend is [Or. 2] voor de berekening van de vertraging, rekening moet worden gehouden het verschil tussen het tijdstip waarop de deuren daadwerkelijk zijn geopend en de geplande aankomsttijd, dan wel met het verschil tussen het tijdstip waarop de deuren daadwerkelijk zijn geopend en het tijdstip waarop de deuren vermoedelijk zouden zijn geopend indien de vlucht op de geplande aankomsttijd was aangekomen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-452/13)

Specifiek beleidsterrein: IenW