C-656/19 Bakati Plus

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 4 november 2019
Schriftelijke opmerkingen: 21 december 2019

Trefwoorden : douane; belastingen;

Onderwerp :

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

- Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie;

 

Feiten:

Verzoekster (Bakati Plus) is sinds april 2015 als groothandel actief in detailhandel. Ongeveer 95% van verzoeksters activiteit bestond in de verkoop aan klanten in Servië. Verzoekster wist dat haar Servische klanten, die honderden malen goederen in grote hoeveelheden van haar afnamen, tot drie families behoorden en dat de goederen van Hongarije naar Servië werden uitgevoerd als reisbagage van de kopers. Verzoekster wist dat de kopers de goederen niet kochten voor privé- of gezinsgebruik, maar met het oog op doorverkoop aan klanten op de Servische markten. De belastingdienst heeft verzoekster naar aanleiding van een controle veroordeeld tot het betalen van een belastingverschil, een belastingboete en vertragingsrente (totaal ongeveer anderhalf miljoen EUR). De belastingdienst oordeelde dat verzoekster geen recht had op vrijstelling bij uitvoer, aangezien m.b.t. de transacties geen uitvoerprocedure bij de douaneautoriteiten was ingeleid en verzoekster niet beschikte over de daarvoor benodigde documenten. Verzoekster voldoet ook niet aan de definitie van exporteur. Bij besluit van 31.10.2018 heeft verweerster (afdeling bezwaren van de nationale belasting- en douanedienst) het besluit in eerste aanleg, waartegen verzoekster bij haar was opgekomen, bekrachtigd. Verzoekster vordert nietigverklaring van het besluit van verweerster en betoogt dat noch het Gemeenschapsrecht noch de btw-wet een definitie geeft van de begrippen persoonlijke bagage of reisbagage. Bij gebreke van een belastingrechtelijke definitie, kan de douaneautoriteit geen onderscheid maken tussen de voor uitvoer aangeboden goederen, en kan zij de visering van het formulier voor btw-teruggaaf over de betrokken goederen derhalve niet weigeren op de grond dat die vermoedelijk bestemd zijn voor doorverkoop. Verzoekster betwist tenslotte de juridische uitlegging door de belastingdienst van §12/A van de wet op de belasting- en douanedienst, volgens welke de loutere omstandigheid dat het douanekantoor van uitgang onder de belastingdienst ressorteert, niet betekent dat zij taken op het gebied van belastingadministratie uitvoert, zodat de douaneautoriteit uitsluitend kan bevestigen dat het goed de EU heeft verlaten, maar niet dat dat is gebeurd als onderdeel van de persoonlijke bagage of reisbagage in de zin van §99 van de btw-wet, noch dat daarbij aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan.

 

Overweging:

In de eerste plaats betreft het hier de vraag of de nationale praktijk waarbij het begrip “persoonlijke bagage” in de zin van de btw-richtlijn wordt gelijkgesteld met de definitie van “bagage” in andere wetgeving, verenigbaar is met artikel 147 van de btw-richtlijn. Zo niet, rijst de vraag hoe het begrip “persoonlijke bagage” in artikel 147 van de btw-richtlijn moet worden gedefinieerd, en of de nationale praktijk waarbij verwezen wordt naar de “algemene betekenis van woorden”, verenigbaar is met het Unierecht. In de tweede plaats is het de vraag uit welke bepalingen volgt dat onderzocht dient te worden of voldaan is aan de voorwaarden voor btw-vrijstelling bij uitvoer overeenkomstig artikel 146 van de btw-richtlijn, ook al zijn de wettelijke douaneformaliteiten niet vervuld. Kan een transactie - ook wanneer dat uitdrukkelijk niet de bedoeling van de koper was - als een van omzetbelasting vrijgestelde uitvoertransactie worden aangemerkt? In de derde plaats is het verzoek erop gericht na te gaan of - in casu - de nationale praktijk waarbij de belastingdienst de teruggaaf weigert van ten onrechte aangegeven en betaalde belasting over leveringen van goederen aan buitenlandse reizigers, zonder deze transacties als leveringen van goederen met het oog op uitvoer te kwalificeren, verenigbaar is met de artikelen 147 en 146 van de btw-richtlijn en met de Unierechtelijke beginselen van fiscale neutraliteit en evenredigheid.

 

Prejudiciële vraag:

1) Is de nationale praktijk waarbij het begrip „persoonlijke bagage”, dat deel uitmaakt van de definitie van een van btw vrijgestelde levering aan een buitenlandse reiziger, gelijk wordt gesteld met het begrip „persoonlijke goederen” van het verdrag van New York van 4 juni 1954 inzake douanefaciliteiten ten behoeve van het toeristenverkeer en aanvullend protocol, en met het begrip „bagage” in artikel 1, punt 5, van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie, verenigbaar met artikel 147 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde?

2) Zo neen, hoe moet het begrip „persoonlijke bagage” in artikel 147 van de btw-richtlijn dan worden gedefinieerd, gelet op het feit dat de btw-richtlijn geen definitie van dit begrip bevat? Is de nationale praktijk waarbij belastingautoriteiten uitsluitend verwijzen naar de „algemene betekenis van de woorden” verenigbaar met de bepalingen van het Unierecht?

3) Dienen de bepalingen van de artikelen 147 en 146 van de btw-richtlijn aldus te worden uitgelegd dat wanneer een belastingplichtige overeenkomstig artikel 147 van de btw-richtlijn geen recht heeft op vrijstelling bij levering aan een buitenlandse reiziger, in voorkomend geval moet worden onderzocht of de vrijstelling bij uitvoer overeenkomstig artikel 146 van die richtlijn van toepassing is, ook wanneer de douaneformaliteiten van het douanewetboek van de Unie en de gedelegeerde verordening niet in acht zijn genomen?

4) Indien het antwoord op de vorige vraag luidt dat de betrokken transactie niet als levering aan een buitenlandse reiziger, maar wel als uitvoertransactie voor vrijstelling in aanmerking kan komen, kan deze transactie dan tegen de uitdrukkelijke bedoeling van de koper op het moment van aankoop in als vrijgestelde uitvoertransactie worden aangemerkt?

5) Indien het antwoord op de derde en de vierde vraag bevestigend luidt, is dan in een geval als het onderhavige – waarin de opsteller van de factuur op het tijdstip van de levering wist dat de goederen waren aangekocht voor doorverkoop en dat de buitenlandse koper de goederen desondanks als buitenlandse reiziger wenste uit te voeren, met andere woorden, waarin de opsteller van de factuur het formulier voor btw-teruggaaf over de verkoop aan de buitenlandse koper te kwader trouw heeft opgesteld en de in rekening gebrachte btw op grond van de vrijstelling die een buitenlandse reiziger geniet te kwader trouw heeft teruggevraagd – de nationale praktijk waarbij de belastingdienst ten onrechte aangegeven en betaalde belasting over leveringen van goederen aan buitenlandse reizigers weigert terug te betalen, zonder die transacties aan te merken als de levering van goederen met het oog op uitvoer en de overeenkomstige correctie uit te voeren, ook al staat onomstotelijk vast dat de bewuste goederen Hongarije als reisbagage hebben verlaten, verenigbaar met de artikelen 147 en 146 van de btw-richtlijn en met de Unierechtelijke beginselen van fiscale neutraliteit en evenredigheid?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Netto Supermarkt C-271/06; Vámos C-566/16; Nidera Handelscompagnie C-385/09;

Specifiek beleidsterrein: FIN; FIN-fiscaal