C-657/19 Finanzamt

C-657/19 Finanzamt

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 28 oktober 2019
Schriftelijke opmerkingen: 14 december 2019

Trefwoorden : btw; ziekenfondsen;

Onderwerp :

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

 

Feiten:

In iedere Duitse deelstaat bestaat er een samenwerkingsverband met de naam “Medizinischer Dienst der Krankenversicherung” (MDK). MDK heeft als taak om voor de bij de ziekenfondsen opgerichte verzorgingsfondsen adviezen op te stellen over de zorgbehoefte van verzekerden. De adviezen worden opgesteld door artsen, gekwalificeerde zorgverleners en andere gekwalificeerde personen die de MDK kan inzetten om de pieken in de hoeveelheid werk op te vangen. In de jaren 2012 - 2014 heeft verzoekster voor de MDK Niedersachsen (MDK NS) als externe deskundige adviezen opgesteld over de zorgbehoefte van patiënten. De MDK NS heeft deze prestaties maandelijks met haar afgerekend en daarover is geen omzetbelasting berekend. Verzoekster heeft deze advieswerkzaamheden als van belasting vrijgesteld aangemerkt, maar heeft wel voor alle ontvangen prestaties onverkort gebruikgemaakt van de aftrek van voorbelasting. De belastingdienst was van mening dat de advieswerkzaamheden noch volgens nationaal recht noch volgens het Unierecht vrijgesteld waren van omzetbelasting. De belastingdienst stelde daarop de omzetbelasting bij aanslagen van 03.02.2015 vast. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld bij de belastingrechter. Het beroep werd grotendeels toegewezen omdat het opstellen van adviezen als “dienst die nauw samenhangt met maatschappelijk werk en sociale zekerheid” vrijgesteld is van belasting. De belastingrechter beriep zich hierbij op het Unierecht.

 

Overweging:

Met het bij de verwijzende rechter ingestelde beroep in Revision komt de belastingdienst op tegen de schending van het materiële recht. De belastingdienst voert in wezen aan dat uit de nationale bepalingen inzake belastingvrijstelling niet voortvloeit dat de betrokken adviesprestaties vrijgesteld zijn van belasting. Aangezien deze regelingen in overeenstemming zijn met het Unierecht, is een rechtstreeks beroep op het Unierecht niet mogelijk. Voor het overige is volgens de belastingdienst niet vast komen te staan dat het verzorgingsfonds de kosten voor verzoeksters advieswerkzaamheden bewust voor zijn rekening heeft genomen. De uitkomst van het geding hangt af van een beslissing van het Hof over de uitlegging van richtlijn 2006/112.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is in omstandigheden als die van het hoofdgeding sprake van een werkzaamheid die valt binnen de werkingssfeer van artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (richtlijn 2006/112/EG), als een belastingplichtige in opdracht van de Medizinische Dienst der Krankenversicherung (medische dienst van de ziekteverzekering) adviezen over de zorgbehoefte van patiënten opstelt?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

a) Is het voor de erkenning van een ondernemer als een instelling van sociale aard in de zin van artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG voldoende dat hij diensten verricht als opdrachtnemer van een instelling die naar

nationaal recht erkend is als sociale instelling in de zin van artikel 132, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG?

b) Indien vraag 2a) ontkennend wordt beantwoord: volstaat het in omstandigheden als die van het hoofdgeding dat de zieken- en verzorgingsfondsen de kosten van een erkende instelling in de zin van artikel 132, lid 1, onder g), van

richtlijn 2006/112/EG volledig voor hun rekening nemen, opdat ook een opdrachtnemer van deze instelling kan worden aangemerkt als een erkende instelling?

c) Indien de vragen 2 a) en 2 b) ontkennend worden beantwoord: mag de lidstaat de erkenning als instelling van sociale aard afhankelijk maken van de voorwaarde dat de belastingplichtige daadwerkelijk een overeenkomst heeft gesloten met een orgaan van sociale zekerheid of maatschappelijk werk, of volstaat het voor een erkenning dat naar nationaal recht een overeenkomst zou kúnnen worden gesloten?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Fahrschul-Akademie C-449/17; Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a. C-543/14 ; Brockenhurst College C-699/15; Kinderopvang Enschede C-415/04; Horizon College C-434/05; Unterpertinger C-212/01; MDDP C-319/12; C-141/00; C-174/11;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal;