C-663/19 Volkswagen

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 29 oktober 2019
Schriftelijke opmerkingen: 15 december 2019

Trefwoorden : consumentenbescherming; voertuigen;

Onderwerp :

- Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn);

- Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie;

- Bijlage bij verordening (EG) nr. 385/2009 van de Commissie van 7 mei 2009 tot vervanging van bijlage IX bij richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn);

 

Feiten:

Het geding betreft een vordering tot schadevergoeding bij ontbinding van de koopovereenkomst voor een gebruikt voertuig waarin een verboden omschakellogica is ingebouwd. Verzoeker heeft een gebruikt personenvoertuig gekocht. Dit voertuig is uitgerust met een door verweerder (Volkswagen AG) geleverde motor van het type EA-189. De software van de motor heeft twee modi; bij modus 1 wordt minder stikstof uitgestoten omdat er relatief meer uitlaatgassen worden gerecirculeerd. Bij modus 0 wordt er dan weer meer fijnstof uitgestoten. De software is zo ingesteld dat het automatisch omschakelt naar modus 1 bij testbanken met als resultaat een lagere stikstofuitstoot. De software schakelt terug naar modus 0 bij werkelijke rijomstandigheden. De emissiewaarden die daarbij ontstaan, stemmen niet overeen met de waarden die verweerder in het certificaat van overeenstemming heeft opgegeven. Verzoeker eist dat verweerder de aankoopprijs van het voertuig terugbetaalt. Verweerder voert aan dat de door haar gebruikte software moet worden beschouwd als een loutere ingreep in de motor zelf. Bovendien zijn de emissiegrenswaarden in werkelijke rijomstandigheden niet relevant, aangezien de wetgever ervoor heeft gekozen om de grenswaarden onder laboratoriumomstandigheden te verhogen.

 

Overweging:

De Duitse rechtspraak is zeer verdeeld over de vraag of artikel 18(1) en artikel 26(1) van richtlijn 2007/46 en/of artikel 5(2) van verordening 715/2007 beschermende werking ten aanzien van derden hebben. Anders gezegd, of de beschikkingsvrijheid en het vermogen van particuliere autokopers juist ook door deze bepalingen moeten worden beschermd. Ook is de Duitse rechtspraak verdeeld over de vraag of de verwerving van een voertuig waarin een verboden omschakellogica is ingebouwd, tot de risico’s behoort waarvan de voorkoming door de geschonden voorschriften wordt beoogd. Het is de verwijzende rechter niet duidelijk welke uitlegging juist is, vooral met het oog op een toereikende uitvoering van artikel 18(1), artikel 26(1) en artikel 46 van richtlijn 2007/46, met inachtneming van de Unierechtelijke beginselen en in het licht van het Handvest. Daarom wordt het Hof verzocht om een bindende uitlegging.

 

Prejudiciële vraag:

1. Moeten § 6, lid 1, en § 27, lid 1, van de EGFahrzeuggenehmigungsverordnung (Duits besluit inzake de EU-typegoedkeuring; hierna: „EG-FGV”) respectievelijk artikel 18, lid 1, en artikel 26, lid 1, van richtlijn 2007/46/EG aldus worden uitgelegd dat de fabrikant zijn verplichting tot afgifte van een certificaat overeenkomstig § 6, lid 1, EG-FGV (dan wel zijn verplichting tot afgifte van een certificaat van overeenstemming overeenkomstig artikel 18, lid 1, van richtlijn 2007/46/EG) niet nakomt wanneer hij een verboden omschakellogica in de zin van artikel 5, lid 2, en artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 in het voertuig heeft ingebouwd, en dat het in het verkeer brengen van een dergelijk voertuig indruist tegen het verbod op het in het verkeer brengen van een voertuig zonder geldig certificaat van overeenstemming overeenkomstig § 27, lid 1, 1 EG-FGV (dan wel tegen het verbod op de verkoop zonder geldig certificaat van overeenstemming overeenkomstig artikel 26, lid 1, van richtlijn 2007/46/EG)? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord:

1a. Beogen §§ 6 en 27, EG-FGV respectievelijk artikel 18, lid 1, artikel 26, lid 1, en artikel 46 van richtlijn 2007/46/EG ook de bescherming van de consument en – in het geval van wederverkoop op de tweedehandsmarkt – inzonderheid van de daaropvolgende autokoper, ook met betrekking tot zijn beschikkingsvrijheid en zijn vermogen? Behoort de aankoop van een gebruikt voertuig dat zonder geldig certificaat van overeenstemming in het verkeer werd gebracht, tot de risico’s waarvan de voorkoming door deze voorschriften wordt beoogd?

2. Beoogt artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 ook de bescherming van de consument en – in het geval van wederverkoop op de tweedehandsmarkt – inzonderheid van de daaropvolgende autokoper, ook met betrekking tot zijn beschikkingsvrijheid en zijn vermogen? Behoort de aankoop van een gebruikt voertuig waarin een verboden omschakellogica is ingebouwd, tot de risico’s waarvan de voorkoming door dit voorschrift wordt beoogd?

3. Moeten §§ 6 en 27, EG-FGV respectievelijk artikel 18, lid 1, artikel 26, lid 1, en artikel 46 van richtlijn 2007/46/EG en artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus worden uitgelegd dat, in het geval van een inbreuk hierop, een gebruiksvergoeding voor het daadwerkelijke gebruik van het voertuig geheel of gedeeltelijk in mindering moet worden gebracht op de schade van de consument (en in voorkomend geval, op welke wijze en in welke mate), wanneer de consument op grond van deze inbreuk de ontbinding van de koopovereenkomst kan eisen en eist? Maakt het enig verschil voor de uitlegging wanneer de inbreuk gepaard gaat met misleidende beweringen ten aanzien van de goedkeuringsinstanties en de consument over het feit dat aan alle goedkeuringsvoorwaarden is voldaan en dat het voertuig onbeperkt op de weg mag worden gebruikt, en de inbreuk en de misleiding tot doel hadden om kosten te besparen en maximale winsten uit hoge verkoopcijfers te behalen, en terzelfder tijd een concurrentievoordeel te verwerven ten koste van de nietsvermoedende klant?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW