C-684/18 World Comm Trading Gfz

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 31 december 2018

Schriftelijke opmerkingen: 17 februari 2019

Trefwoorden: btw; neutraliteit;

Onderwerp:

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);


Feiten:

Op 01.04.2004 is er tussen World Comm en de Nokia-groep een standaarddistributieovereenkomst gesloten. Op grond hiervan heeft World Comm een serie mobiele-telefonieproducten aangeschaft van de Nokia-groep, die aan World Comm zijn geleverd vanuit Finland, Duitsland, Hongarije, en vanuit Roemenië (waar Nokia als belastingplichtige ingeschreven stond). De discounts werden toegekend door Nokia bij het bereiken van een bepaald kwantum, ongeacht de plaats van waaruit de Nokia-producten werden geleverd (Roemenië of intracommunautair). Voor deze discounts gaf Nokia Corporation ieder kwartaal één enkele factuur af met het minteken en zijn Finse btw-nummer. World Comm boekte vervolgens het gehele bedrag als behorende bij een intracommunautaire handeling, zelfs als een deel van de goederen werd geleverd vanuit Roemenië. In de periode van 01.04.2014-27.05.2014 is World Comm onderworpen geweest aan een steekproefsgewijze belastinginspectie, waarna heffingsbeschikking F-AG 815/30 mei 2014 is uitgevaardigd door verweerder (regionaal directoraat-generaal voor overheidsfinanciën, Roemenië). De belastingautoriteiten stellen dat World Comm ten onrechte het recht op aftrek heeft aangepast voor de gehele ontvangen discount. World Comm had onderscheid moeten aanbrengen tussen de binnenlandse en de intracommunautaire leveringen. World Comm maakte bezwaar tegen de heffingsbeschikking, welke bij beschikking 342/30 oktober 2014 van het nationaal agentschap voor de belastingadministratie (tweede verweerder) werd verworpen. Vervolgens heeft World Comm bij verzoekschrift gevraagd om nietigverklaring van de beschikkingen van verweerders. Het verzoek van World Comm is bij vonnis (van 05.10.2015) verworpen. Tegen dit vonnis heeft World Comm het onderhavige hoger beroep ingesteld, waarin zij aanvoert dat haar op onrechtmatige wijze het recht op btw-aftrek is ontzegd. Het toepassen van de wet zoals de belastingautoriteit dat doet, zou onherstelbare gevolgen hebben voor haar fiscale situatie, vanuit het oogpunt van het neutraliteitsbeginsel. Nokia had namelijk op het moment van de belastinginspectie haar activiteiten in Roemenië reeds beëindigd. Hierdoor zou zij niet meer de mogelijkheid hebben gehad om de discounts voor binnenlandse leveringen afzonderlijk te factureren.


Overweging:

De vraag rijst of aan een onderneming - die niet heeft voldaan aan de formele voorwaarden voor het opnemen van btw-aftrek in de boekhouding en in de btw-administratie - het recht kan worden ontzegd om haar recht op aftrek aan te passen, aangezien de nationale regeling de btw-aftrek gedeeltelijk verbood indien de leverancier een enkele factuur heeft afgegeven zowel voor de binnenlandse als voor de intracommunautaire goederen die door dezelfde marktdeelnemer waren geleverd. Tevens rijst de vraag of het evenredigheidsbeginsel zich ertegen verzet dat aan de afnemer het recht wordt ontzegd op btw-aftrek evenredig met de discount verleend door de leverancier indien deze haar economische activiteiten in Roemenië heeft beëindigd - door zich te laten uitschrijven als belastingplichtige in Roemenië - en haar maatstaf van heffing met betrekking tot de levering niet meer kan verminderen met het oog op de teruggaaf van de te veel geïnde btw.


Prejudiciële vragen:

1. Verzetten artikel 90 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en het beginsel van de neutraliteit van de btw zich tegen een nationale regeling (of tegen een administratieve praktijk die stoelt op een onduidelijke regeling) die aan een onderneming het recht ontzegt op btw-aftrek evenredig met de discount verleend voor binnenlandse leveringen van goederen op grond dat de fiscale factuur die is uitgereikt door de intracommunautaire leverancier (in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van een economische groep) de totale discount toont die is toegekend zowel voor de intracommunautaire goederen als voor de binnenlandse goederen die zijn geleverd op basis van het hetzelfde kadercontract maar zijn geregistreerd als verwervingen uit de referentielidstaat (van een lid van de groep met een ander btw-nummer dan op de discountfactuur staat vermeld)?

2. Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord: verzet het evenredigheidsbeginsel zich ertegen dat de afnemer het recht wordt ontzegd op btw-aftrek evenredig aan de waarde van de totale door de intracommunautaire leverancier toegekende discount indien de plaatselijke leverancier (lid van dezelfde groep) zijn economische activiteiten heeft beëindigd en de maatstaf voor heffing over zijn leveringen niet meer kan verlagen door het uitreiken van een factuur met zijn eigen btw-nummer, met het oog op de terugvordering van het de te veel geïnde btw?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Nordania Finans și BG Factoring C-98/07; C-324/11; Abbey National C-408/98; Faxworld, C-137/02; HE C-25/03; C-439/04 en C-440/04; Royal Bank of Scotland C-488/07; C-465/11; Eon Asset Menidjmunt C-118/11; Commissie/Italië C-78/00; C-25/07; Commissie/Hongarije C-274/10;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal

​​​​​​​