C-686/18 Adusbef e.a.

​​​​​​​

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 11 februari 2019

Schriftelijke opmerkingen: 28 maart 2019

Trefwoorden : banken; vrij verkeer kapitaal; staatssteun

Onderwerp :

- VWEU artikel 3, artikel 63 en volgende, artikel 107 en volgende;

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikelen 16, 17, en 52;

- Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012;

- Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen;

- Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Europese Commissie van 7 januari 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende eigenvermogensvereisten voor instellingen;

 

Feiten:

Bij besluit van 24.01.2018 (urgente maatregelen voor het bankwezen en investeringen) zijn enkele artikelen van de Italiaanse wet inzake banken gewijzigd. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de nieuwe voorschriften van de Banca d’Italia en alle daaraan voorafgaande handelingen van deze instelling. Verzoekers stellen dat de vaststelling van de vermogensdrempel van slechts 8 miljard EUR waarboven een coöperatieve bank moet worden omgevormd tot een vennootschap op aandelen, inhoudelijk ongegrond en ongerechtvaardigd is. Dit geldt ook voor de mogelijkheid van de coöperatieve bank om, wanneer zij eenmaal is omgezet, de aflossing van de aandelen van de uittredende aandeelhouder, ook voor onbepaalde tijd, uit te stellen of te beperken. Ten eerste stellen verzoekers dat de vermelde drempel van 8 miljard EUR niet passend is, op supranationaal niveau een rechtsgrond ontbeert, en te laag is ten opzichte van vergelijkbare situaties in de Europese context, en eveneens dat er, gelet op het Unierecht, geen rechtsgrond ten grondslag ligt aan de beperkingen die worden gesteld aan de rechten op aflossing van de aandelen van de aandeelhouder die bij de omvorming van een coöperatieve bank tot een vennootschap op aandelen wil uittreden. Ten tweede, is de genoemde waarde van 8 miljard EUR volgens verzoekers niet in overeenstemming met de Europese regelgeving inzake de interne markt en het vrij verkeer van kapitaal. Ten derde is de betrokken Italiaanse regeling volgens hen in strijd met het Unierecht op het gebied van staatssteun. En ten vierde stellen verzoekers dat de Italiaanse regeling in werkelijkheid de tekst van de corresponderende Unieregeling (artikel 29(2) van verordening 241/2014) niet getrouw heeft overgenomen, en uiteindelijk een ware onteigening zonder schadeloosstelling rechtvaardigt. Mocht het Hof evenwel oordelen dat de Italiaanse regeling wel met de Unieregeling in overeenstemming is, dan zou deze laatste regeling duidelijk in strijd zijn met de in de artikelen 16 en 17 van het Handvest vastgelegde beginselen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter erkent dat de eerste vraag over de beperkingen aan de aflossing aan aandeelhouders nauw verband houdt met het probleem van de vaststelling van de drempel. Ten aanzien van de twee laatste vragen heeft de verwijzende rechter enige twijfels geuit naar aanleiding van de discrepantie tussen de genoemde actualisering van de Banca d’Italia en het Unierecht. De rechter vraagt zich namelijk af welk belang moet worden toegekend aan het feit dat in de circulaire de volgorde van de termen “beperken” en “uitstellen” is omgedraaid ten opzichte van de tekst van het Unierecht, en aan de toevoeging van twee komma’s voor en na de uitdrukking “volledig of gedeeltelijk en zonder tijdslimiet”, die in de verordening van de Commissie niet voorkomen, en erop lijken te wijzen dat het betrokken zinsdeel betrekking kan hebben op zowel het geval van beperking als het geval van uitstel. Overigens is niet duidelijk of de tijdslimiet zowel voor het uitstel als voor de beperking van de aflossing geldt, en evenmin welk belang moet worden toegekend aan de omstandigheid dat de woorden “volledig of gedeeltelijk” in de tekst van de Unieregeling niet voorkomen. Tot slot lijkt de verwijzing naar het Handvest gerechtvaardigd wegens het risico dat de mogelijkheid om de aflossing te beperken (ook indien in overeenstemming met het Unierecht) in wezen leidt tot een onteigening van de rechten van aandeelhouders van de bank zonder dat zij daarvoor enige schadeloosstelling ontvangen.

 

Prejudiciële vragen:

a) Staan artikel 29 van verordening (EU) nr. 575/2013 [betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen], artikel 10 van gedelegeerde verordening nr. 241/2014, de artikelen 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ook in samenhang met artikel 6, lid 4, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013, in de weg aan een nationale regeling zoals ingevoerd bij artikel 1 van decreto legge nr. 3/2015, met wijzigingen omgezet bij wet nr. 33/2015 (en thans ook artikel 1, lid 15, van decreto legislativo nr. 72/2015, dat in de plaats is gekomen voor artikel 28, lid 2 ter, [Testo unico bancario] en waarin in wezen de tekst van artikel 1, lid 1, onder a), van decreto legge nr. 3/2015, zoals omgezet, is overgenomen, met wijzigingen die in casu niet relevant zijn), waarbij een drempelvermogen is voorgeschreven waarboven de coöperatieve bank moet worden omgevormd in een vennootschap op aandelen, en dit drempelvermogen is vastgesteld op 8 miljard EUR? Staan daarnaast de bovenvermelde Unierechtelijke parameters in de weg aan een nationale regeling die een coöperatieve bank, wanneer zij tot een vennootschap op aandelen is omgevormd, toestaat om de aflossing van de aandelen van uittredende aandeelhouders, ook voor onbepaalde tijd, uit te stellen of te beperken?

b) Staan artikel 3 en artikel 63 en volgende, VWEU inzake mededinging in de interne markt en vrij verkeer van kapitaal in de weg aan een nationale regeling zoals ingevoerd bij artikel 1 van decreto legge nr. 3/2015, met wijzigingen omgezet bij wet nr. 33/2015, die de uitoefening van het bankbedrijf in coöperatieve vorm beperkt tot een bepaald drempelvermogen, en de instelling verplicht tot omvorming tot een vennootschap op aandelen indien deze drempel wordt overschreden?

c) Staan artikel 107 en volgende VWEU inzake staatssteun in de weg aan een nationale regeling zoals ingevoerd bij artikel 1 van decreto legge nr. 3/2015, met wijzigingen omgezet bij wet nr. 33/2015 (en thans ook artikel 1, lid 15, van decreto legislativo nr. 72/2015, dat in de plaats is gekomen voor artikel 28, lid 2 ter, [Testo unico bancario] en waarin in wezen de tekst van artikel 1, lid 1, onder a), van decreto legge nr. 3/2015, zoals omgezet, is overgenomen, met wijzigingen die in casu niet relevant zijn), die voorschrijft dat een coöperatieve bank waarvan het vermogen een bepaalde drempel overschrijdt (die is vastgesteld op 8 miljard EUR), moet worden omgevormd tot een vennootschap op aandelen, en daarbij grenzen stelt aan de aflossing van het aandeel van uittredende aandeelhouders om de mogelijke liquidatie van de omgezette bank te voorkomen?

d) Staan artikel 29 van verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 10 van verordening (EU) nr. 241/2014 in de weg aan een nationale regeling als die van artikel 1 van decreto legge nr. 3/2015, met wijzigingen omgezet bij wet nr. 33/2015, zoals uitgelegd door de Corte costituzionale in arrest nr. 99/2018, volgens welke het de coöperatieve bank is toegestaan om de aflossing voor onbeperkte tijd uit te stellen en het bedrag daarvan deels of volledig te beperken?

e) Indien het Hof van Justitie bij haar uitlegging oordeelt dat de uitlegging van de verwerende partijen verenigbaar is met de Unieregeling, wordt het verzocht te beoordelen of artikel 10 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 241/2014 van de Europese Commissie in overeenstemming is met het Unierecht, gelet op de artikelen 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (waarin is bepaald: „Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.”), zoals aangevuld, ook gelet op artikel 52, lid 3, van het Handvest (dat als volgt luidt: „Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.”) en op de rechtspraak van het EHRM over artikel 1 van protocol nr. 1 bij het EVRM”.

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZK