C-686/19 Soho Group

C-686/19 Soho Group

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 7 november 2019
Schriftelijke opmerkingen: 24 december 2019

Trefwoorden : kredietovereenkomsten; consumentenrechten

Onderwerp :

• Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad

 

Feiten:

De Letse organisatie voor de bescherming van consumentenrechten (PTAC) heeft een inspectie uitgevoerd om vast te stellen of de informatie over de diensten die Soho Group aanbiedt op haar website in overeenstemming is met de regels inzake consumentenrechten. PTAC heeft op basis van de inspectie vastgesteld dat Soho Group kredietovereenkomsten aanbood waarin een clausule voorkwam met de titel “verlenging van de duur van de lening”. PTAC heeft ook geconcludeerd dat Soho Group consumenten kredietovereenkomsten heeft aangeboden waarvan de totale dagelijkse kosten niet voldeden aan het bepaalde in artikel 8, lid 2, van de Letse wet inzake bescherming consumentenrechten, voor wat betreft de verlenging van de krediettermijn. Derhalve is zij van mening dat de kosten van de kredietovereenkomst voor de consumenten van Soho Group onevenredig waren en niet in overeenstemming met de eerlijke handelspraktijken zoals bepaald in het voorgenoemde artikel. PTAC was van mening dat de kosten voor verlenging van het krediet deel uitmaakten van de totale kredietkosten, aangezien de bepalingen over verlenging van het krediet deel uitmaakten van de door de kredietverstrekker en de kredietnemer overeengekomen clausules en voorwaarden van de kredietovereenkomst, en legde SIA Soho Group een boete van 25 000 EUR op. Hiertegen is Soho Group in beroep gegaan bij de bestuursrechter. Tegen de uitspraak van deze rechter heeft Soho Group beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

Het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” is opgenomen in de Wet inzake bescherming van consumentenrechten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48. Dit heeft tot gevolg dat de uitlegging van de bepaling van de Wet inzake bescherming van consumentenrechten plaatsvindt op grond van de inhoud van de betreffende EU-norm. In het onderhavige geval dient verduidelijkt te worden of de kosten voor de verlenging van het krediet zijn inbegrepen in de totale kosten van het krediet, aangezien hetgeen is bepaald over de verlenging van het krediet deel uitmaakt van de clausules en voorwaarden van de kredietovereenkomst tussen de kredietverstrekker en de kredietnemer. Het vraagstuk heeft dus betrekking op de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2008/48, waarover de Letse verwijzende rechter van het hooggerechtshof twijfels heeft.

 

Prejudiciële vragen:

1) Is het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument”, gedefinieerd in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad, een autonoom Unierechtelijk begrip?

2) Vallen, in omstandigheden als die van het onderhavige geval, indien de clausules inzake verlenging van het krediet deel uitmaken van de door de kredietnemer en de kredietverstrekker overeengekomen clausules en voorwaarden van de kredietovereenkomst, de kosten voor verlenging van het krediet onder het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument”, gedefinieerd in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Verein für Konsumenteninformation (C-127/15); SC Volksbank România (C-602/10); (C-377/14); (C-383/18)

Specifiek beleidsterrein: EZK, FIN, JenV