C-693/19 SPV Project 1503

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    21 november 2019
Schriftelijke opmerkingen:                    7 januari 2020

Trefwoorden : Oneerlijke bedingen; vertragingsrente

Onderwerp :

•          Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

•          Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

 

Feiten:

YB heeft meerdere leningsovereenkomsten gesloten met Findomestic Banca SpA, die uiteindelijk zijn overgedragen aan verzoekster, SPV Project 1503 srl (Hierna: SPV). Hierin is afgesproken dat ingeval van  vertraging bij de aflossing een boete kan worden opgelegd en vertragingsrente kan worden gevraagd. Op grond van deze bedingen heeft SPV een beslissing houdende een betalingsbevel aan YB betekend. YB heeft deze beslissing niet aangevochten, zodat zij gezag van gewijsde heeft gekregen. SPV heeft vervolgens een akte betekend tot beslaglegging op vorderingen die YB had op enkele banken. In de betekende beslagakte werd een bedrag van 31.332 EUR genoemd, waarvan 13.539,27 EUR rente bedroeg. Aangezien het beding betreffende de vertragingsrente (meer dan 14% op jaarbasis) volgens de verwijzende rechter als oneerlijk kon worden aangemerkt, heeft deze rechter YB tijdens de tenuitvoerleggingsprocedure verzocht kenbaar te maken of hij zich eventueel wilde beroepen op het oneerlijke karakter van de vertragingsrentebedingen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter wenst te vernemen of in de context van het hoofdgeding de executierechter toegestaan is om de consument te informeren over het mogelijk oneerlijke karakter van contractuele bedingen, en of deze rechter, indien de consument kenbaar heeft gemaakt zich te willen beroepen op het oneerlijke karakter van de voornoemde bedingen, het oneerlijke karakter van de contractuele bedingen kan onderzoeken ondanks dat het hem niet is toegestaan de gerechtelijke executoriale titel en de totstandkoming van het gezag van gewijsde inhoudelijk te onderzoeken.

 

Prejudiciële vraag:

Staan de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in de weg aan een nationale regeling als die welke is beschreven, die de executierechter belet om een in gezag van gewijsde gegane gerechtelijke executoriale titel inhoudelijk te toetsen, en deze rechter belet om, indien de consument kenbaar heeft gemaakt zich te willen beroepen op het oneerlijke karakter van het beding in de overeenkomst die aan de executoriale titel ten grondslag ligt, de gevolgen van het impliciete gezag van gewijsde opzij te zetten, en zo ja, onder welke voorwaarden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: VB Pénzügyi Lízing Zrt. (C-137/08); Océano Grupo Editorial en Salvat Editores (C-240/98 en C-244/98); Pannon GSM Zrt (C-243/08); (C-168/05); (C-154/15 en C-307/15); Asturcom (C-40/08); Finanmadrid (C-49/14); Online Games (C-685/15); (C-169/14);

Specifiek beleidsterrein: EZK, FIN