C-703/19 Dyrektor Izby Administracji Skarbowej w Katowicach

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    29 november 2019
Schriftelijke opmerkingen:                    15 januari 2019

Trefwoorden : btw-tarief; restaurantdiensten;

Onderwerp :

•          Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

•          Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maar 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

 

Feiten:

In september 2016 heeft de belastinginspectie bij de belastingplichtige verzoeker een btw-controle voor de periode van januari tot en met juni 2016 uitgevoerd. Bij deze controle zijn fouten in de btw-afrekening aan het licht gekomen. Vervolgens heeft de belastingdienst bij beschikking van 21-04-2016 de door de belastingplichtige verschuldigde btw voor de gecontroleerde periode vastgesteld. Daarbij is de belastingdienst ervan uitgegaan dat alle activiteiten van de belastingplichtige kunnen worden aangemerkt als voedinggerelateerde diensten, die worden belast tegen een tarief van 8% en niet als levering van bereide schotels, die wordt belast tegen een tarief van 5%. De kern van het geding is de beoordeling van de juistheid van de fiscale indeling en van de toepassing van het verlaagde btw-tarief op specifieke producten die door verzoeker worden verkocht. Deze producten zijn bestemd voor onmiddellijke consumptie door de klanten van het restaurantfiliaal. Het eindproduct wordt ter plaatse bereid op basis van halffabricaten. De bereide maaltijden en schotels worden warm of koud geserveerd en kunnen ter plaatse worden genuttigd of worden meegenomen.

 

Overweging:

Met het oog op de vaststelling van de juiste belastingheffing op de diensten van de verzoeker moet rekening gehouden worden met de btw-richtlijn. Volgens de verwijzende rechter werpt de vaststelling van de vereisten die voortvloeien uit het Unierecht en de rechtsspraak van het Hof vragen op die een prejudiciële beslissing vereisen. Ten eerste wenst de verwijzende rechter te vernemen of een dienst zoals het hoofdgeding kan worden gekwalificeerd als “restaurantdienst”. Ter verduidelijking heeft de verwijzende rechter verschillende karaktereigenschappen van de betrokken dienst opgenoemd. Ten tweede wil hij weten of het voor de eerste vraag van belang is hoe de schotels worden bereid. Als laatste rijst nog de vraag of de geboden infrastructuur van de dienst een essentieel onderdeel van de dienst moet zijn voor de klanten.

 

Prejudiciële vragen:

1) Omvat het begrip „restaurantdiensten”, waarop een verlaagd btw-tarief van toepassing is [artikel 98, lid 2, gelezen in samenhang met bijlage III, punt 12 bis), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; zoals gewijzigd) in samenhang met artikel 6 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2011, L 77, blz. 1)] de verkoop van bereide schotels in omstandigheden als die in het bij de nationale rechter aanhangige geding, namelijk wanneer:

- de verkoper de kopers een infrastructuur ter beschikking stelt die hen in staat

stelt hun maaltijd ter plaatse te consumeren (aparte consumptieruimte, toegang tot

toiletten);

- er geen gespecialiseerde bediening wordt aangeboden;

- er geen service in de strikte zin van het woord wordt aangeboden;

- het bestelproces vereenvoudigd en gedeeltelijk geautomatiseerd is;

- de klant beperkte mogelijkheden heeft om zijn bestelling te personaliseren.

2) Is voor het antwoord op de eerste prejudiciële vraag van belang hoe de schotels worden bereid en met name dat de bereide schotels worden samengesteld uit halffabricaten, waarvan een deel aan een warmtebehandeling wordt onderworpen?

3) Volstaat het voor de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag vast te stellen dat de klant de loutere mogelijkheid had de aangeboden infrastructuur te gebruiken of moet worden vastgesteld dat dit element vanuit het oogpunt van de gemiddelde klant een essentieel onderdeel van de dienstverrichting is?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Finanzamt Burgdorf e.a. (C-497/09, C-499/09, C-501/19 en C-502/09); Faaborg-Gelting Linien (C-231/94); EMI Group Ltd (C-581/08); Commissioners/AXA UK (C-175/09);

Specifiek beleidsterrein: FIN-FISC