C-704/18 Spetsializirana prokuratura

C-704/18 Spetsializirana prokuratura

Prejudiciële Hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 12 februari 2019

Schriftelijke opmerkingen: 29 maart 2019

Trefwoorden : strafrecht; bevoegdheid

Onderwerp :

- Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober betreffende het recht op toegang op een advocaat in strafprocedures en in procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten stellen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming.

 

Feiten:

Het Hof heeft bij arrest van 5 juni 2018, C-612/15, Koleva e.a., een prejudiciële beslissing gegeven, waarmee de Bulgaarse nationale rechter de zaak ten gronde kan afdoen. De nationale rechter doet dit dan ook bij beslissingen van 13 juni en 14 september 2018 m.b.t. de punten 1 en 3 van het arrest. Op de terechtzitting van 14 september 2018 is echter de vraag gesteld of een nationale procesregel in de weg staat aan de toepassing van punt 2 van het dictum van deze prejudiciële beslissing. Deze procedurele belemmering bestaat erin dat de gerechtelijke procedure al met een eindbeslissing is afgesloten. De afsluiting van de gerechtelijke procedure houdt in dat de zaak wordt terugverwezen naar de openbare aanklager om de gebreken recht te zetten. Aangezien de gerechtelijke procedure is afgesloten, kan de verwijzende rechter geen verdere stappen ondernemen. Dit betekent dat punt 2 van het dictum van de prejudiciële beslissing buiten toepassing wordt gelaten. De verwijzende rechter heeft bij beslissing van 14 september 2018 uitdrukkelijk verklaard dat hij de nationale bepalingen die niet voorzien in de mogelijkheid van herziening van een rechterlijke buiten toepassing laat. Nadat beroep was ingesteld door twee verweerders heeft de rechter in tweede aanleg de beslissing vernietigd en onder verwijzing naar punt 46 van de prejudiciële beslissing geoordeeld dat deze prejudiciële beslissing buiten toepassing moest worden gelaten met betrekking tot de reeds afgesloten nationale gerechtelijke procedure. Dit betekent dat de rechter in tweede aanleg de verwijzende rechter uitdrukkelijk heeft verboden punt 2 van het dictum van de prejudiciële beslissing, dat betrekking heeft op richtlijn 2012/13/EU, in het hoofdgeding toe te passen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter betwijfelt, of de uitlegging van de prejudiciële beslissing door de rechter in tweede aanleg overeenstemt met de werkelijke betekenis van deze beslissing. De verwijzende rechter heeft op 25 oktober 2018 een verzoek om uitlegging ingediend. De advocaat van verweerder ME heeft op grond van artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof tegen dit verzoek bezwaar gemaakt.

Dit bezwaar is gegrond, zodat in plaats van een verzoek om uitlegging een nieuw verzoek om een prejudiciële beslissing moet worden ingediend. In die omstandigheden is de verwijzende rechter van oordeel dat, alvorens de bevelen van de rechter in tweede aanleg ten uitvoer te leggen en de zaak naar

de openbare aanklager terug te verwijzen en aldus punt 2 van het dictum van de prejudiciële beslissing volledig buiten toepassing te laten, moet worden nagegaan of dit verenigbaar is met artikel 267 VWEU.

 

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 267 VWEU aldus worden uitgelegd dat het de nationale rechter toestaat om een prejudiciële beslissing buiten toepassing te laten in het hoofdgeding met betrekking waartoe deze beslissing is gewezen, door zich te beroepen op feitelijke omstandigheden die het Hof in aanmerking heeft genomen bij zijn prejudiciële beslissing?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-412/15

Specifiek beleidsterrein: JenV

​​​​​​​