C-705/19 Axpo Trading

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 november 2019
Schriftelijke opmerkingen:                       8 januari 2020

Trefwoorden : groene stroom, nationale regeling

Onderwerp :

•          Vrijhandelsovereenkomst tussen de EEG en Zwitserland;

•          Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (richtlijn 2009/28).

 

Feiten:

Verzoekster, Axpo Trading Ag, is een Zwitserse vennootschap die in Frankrijk en Zwitserland uit hernieuwbare bronnen opgewekte stroom in Italië invoert. Zij heeft bij de Italiaanse rechter beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerster, Gestore dei Servizi Energetici (GSE), waarin laatstgenoemde haar verweet geen groenestroomcertificaten te hebben gekocht voor de in 2012 en 2014 in Italië ingevoerde stroom, en haar verplichtte deze certificaten binnen 30 dagen te kopen. Dit beroep is verworpen met als argument dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een soortgelijke regeling verenigbaar is met het Unierecht en evenredig is aangezien zij in overeenstemming is met het basisdoel van milieubescherming. Verzoekster heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter en voert aan dat de verplichting die voortvloeit uit de Italiaanse wetgeving om groenestroomcertificaten te kopen voor importeurs van stroom die in het buitenland uit hernieuwbare bronnen is opgewekt, in strijd is met het Unierecht. Verder moet de Italiaanse regelgeving volgens verzoekster worden aangemerkt als staatssteun aan in Italië werkzame producenten van groene stroom die (1) niet vooraf bij de Commissie is aangemeld, waardoor inbreuk wordt gemaakt op de artikelen 107 en 108 VWEU; (2) een heffing van gelijke werking als een douanerecht oplegt, ten nadele van ondernemingen die in andere lidstaten geproduceerde groene energie in Italië invoeren, waardoor inbreuk wordt gemaakt op de artikelen 28, 30 en 110 VWEU; (3) een maatregel met een gelijke werking als een kwantitatieve beperking van de invoer en van het vrije verkeer van in andere lidstaten geproduceerde groene energie vormt, waardoor inbreuk wordt gemaakt op de artikelen 34 en 36 VWEU, en artikel 13 van het vrijhandelsakkoord tussen de EEG en Zwitserland.

 

Overweging:

De verwijzende rechter stelt dat volgens wetsbesluit nr. 28/2011, waarbij richtlijn 2009/28 in nationaal recht is omgezet, het systeem van groenestroomcertificaten geleidelijk wordt uitgefaseerd, om in 2016 te worden vervangen door tarieven van het type FIP. Daarnaast is het niet meer mogelijk om de in het buitenland opgewekte groene stroom in aanmerking te nemen voor het te bereiken nationale quotum. Voorheen was dit wel het geval waardoor ondernemers konden worden vrijgesteld van de verplichting een evenredige hoeveelheid groenestroomcertificaten te kopen. Met betrekking tot het argument van verzoekster dat de betrokken regeling naar haar aard als staatssteun moet worden aangemerkt, geeft de

de verwijzende rechter aan dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van enige verlening van staatsmiddelen aan in Italië werkzame producenten van groene energie. Volgens de verwijzende rechter was de Italiaanse Republiek derhalve niet verplicht om de Commissie vooraf van de regeling van wetsbesluit nr. 28/2011 in kennis te stellen. Daarnaast kan de betrokken regeling volgens hem ook niet worden aangemerkt als een heffing met een gelijke werking als een douanerecht ten nadele van de ondernemingen die in andere lidstaten geproduceerde groene stroom in Italië invoeren, en evenmin als een maatregel met een gelijke werking als een kwantitatieve beperking van de invoer en het vrije verkeer van groene energie.

 

Prejudiciële vragen:

Staan

- artikel 18 VWEU, voor zover op grond daarvan binnen de werkingssfeer van de Verdragen elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden is;

- de artikelen 28 en 30 VWEU en artikel 6 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EEG en Zwitserland, voor zover op grond daarvan invoerrechten en maatregelen van gelijke werking verboden zijn;

- artikel 110 VWEU, voor zover het op grond daarvan verboden is op ingevoerde producten hogere belastingen te heffen dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven;

- artikel 34 VWEU en artikel 13 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EEG en Zwitserland, voor zover op grond daarvan alle maatregelen met een gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen verboden zijn;

- de artikelen 107 en 108 VWEU, voor zover het op grond daarvan verboden is steunmaatregelen die niet ter kennis van de Commissie zijn gebracht en onverenigbaar zijn met de interne markt, tot uitvoer te brengen;

- richtlijn 2009/28/EG, voor zover deze tot doel heeft de handel in groene stroom binnen de EU te bevorderen en tegelijk een toename van de productiecapaciteit van de afzonderlijke lidstaten te stimuleren,

in de weg aan een nationale wettelijke regeling als hierboven beschreven, die importeurs van groene stroom een financiële last oplegt die niet van toepassing is op nationale producenten van hetzelfde product?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Ålands Vindkraft AB (C-573/12), Outokumpu Oy (C-213/96), Essent Belgium NV  (C-492/14)

Specifiek beleidsterrein: EZK