C-709/18 UL et VM

C-709/18 UL et VM

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 21 januari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 7 maart 2019

Trefwoorden: strafrecht; vermoeden van onschuld

Onderwerp:

- Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

- Verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoering van de euro;

- Richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valse munterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad;

- Richtlijn 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn;

- Europees Verdrag van 4 september 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;


Feiten:

Op basis van de tenlastelegging van het regionaal openbaar ministerie is voor de verwijzende rechter een strafprocedure ingeleid tegen de verdachten UL en VM wegens “oplichting” in vereniging gepleegd, alsook wegens “Vervalsing, namaak en illegale vervaardiging van geld en waardepapieren”. De verdachten hebben tussen medio 2009 en 1 oktober 2013 een strafbaar feit gepleegd, waarbij verdachte UL (een bankmedewerker) illegaal een bedrag van €314.157,04 heeft opgenomen, dat hij aan verdachte VM afgaf. Om het kastekort te verdoezelen heeft verdachte UL fictieve stortingen gedaan op diverse rekeningen, waarvan verdachte VM vervolgens in een ander filiaal van de bank contanten heeft opgenomen. Eveneens

om het kastekort te verdoezelen, verschafte verdachte VM verdachte UL €184.700,- aan vervalste eurobankbiljetten. Tijdens de terechtzitting bij de Slowaakse rechter in eerste aanleg verklaart VL schuldig te zijn, maar VM verklaart daarentegen onschuldig te zijn. De rechter in eerste aanleg oordeelt dat VL schuldig is aan “oplichting”, “vervalsing”, en “namaak en illegale vervaardiging van geld en waardepapieren”. VM wordt schuldig verklaard voor “oplichting”. De rechter veroordeelde verdachte UL voor deze misdrijven tot een gevangenisstraf van 14 jaar en verdachte VM tot een gevangenisstraf van 14 jaar en 8 maanden. VL en VM gaan hierop in hoger beroep. Met name wordt afgevraagd of VM wel als medeplichtige van UL aan de feiten in kwestie heeft deelgenomen.


Overweging:

De Slowaakse rechter in hoger beroep heeft ernstige twijfel of de rechter in eerste aanleg de onpartijdigheid en de eerbiediging van het beginsel van onschuld ten aanzien van verdachte VM niet heeft geschonden omdat zijn schuld bewezen wordt verklaard voordat het onderzoek van de bewijsmiddelen is voltooid. De verwijzende rechter legt de prejudiciële vragen voor om na te gaan of die ten behoeve van de uniforme uitlegging en toepassing van het recht ontwikkelde nationale rechtspraak, volgens welke een rechter die betrokken was bij de beslissing houdende aanvaarding van een verklaring van de verdachte dat hij schuldig is, het vermoeden van onschuld niet schendt ten aanzien van een andere persoon waarop de tenlastelegging betrekking heeft die later zal worden behandeld, zodat die rechter niet is uitgesloten van verdere handelingen van de strafprocedure, strookt met de beginselen van het Unierecht.


Prejudiciële vragen:

1. Wordt het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat is neergelegd in de artikelen 3 en 4 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, gelezen in samenhang met overweging 16 van deze richtlijn, in een strafprocedure geëerbiedigd, wanneer een medeverdachte, in het kader van één enkele procedure, op basis van de tenlastelegging en na de opening van de terechtzitting, voor de rechter ontkent te hebben deelgenomen aan het feit of de feiten die hem ten laste worden gelegd door te verklaren onschuldig te zijn, de rechter vervolgens bij een beschikking die geen beschrijving van het feit, de juridische kwalificatie daarvan noch een rechterlijke beoordeling bevat, beslist om de verklaring van een andere medeverdachte dat hij het feit of enkele van de in de tenlastelegging vermelde feiten heeft gepleegd, te aanvaarden en aldus afziet van de bewijsvoering ten aanzien van diens schuld, en de rechter daarop, na het onderzoek van de bewijzen tijdens de terechtzitting, in één vonnis uitspraak doet over de tenlastelegging?

1.1 Houdt de beslissing van de rechter om de schuldbekentenis van een van de verdachten te aanvaarden in dat de andere verdachte die ontkent schuldig te zijn, wordt geacht schuldig te zijn voordat door het onderzoek van de bewijsmiddelen diens schuld is aangetoond? Is die handelwijze van de rechter in overeenstemming met artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

2. Is de handelwijze van een rechter in één enkele procedure met betrekking tot een tenlastelegging jegens verschillende verdachten in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht op een eerlijk proces en het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht zijn verankerd, indien de wettelijk bevoegde rechter bij een beschikking die geen beschrijving van het feit, de juridische kwalificatie daarvan noch een rechterlijke beoordeling bevat, eerst beslist om de schuldbekentenis te aanvaarden van de verdachten die door die bekentenis afstand hebben gedaan van het recht op een contradictoir onderzoek van de bewijzen, en diezelfde rechter vervolgens, na het onderzoek van de bewijsmiddelen ter terechtzitting, op basis van de voorgedragen tenlastelegging ten aanzien van alle verdachten ten gronde uitspraak doet?

2.1 Doet de beslissing om de schuldbekentenis te aanvaarden gegronde twijfel rijzen over de onpartijdigheid van de rechter die ook de verklaring van de medeverdachte heeft aanvaard, en vormt de eventuele uitsluiting van die rechter van de strafprocedure een passende maatregel ter waarborging van het beginsel van vermoeden van onschuld als bedoeld in artikel 4, lid 2, van richtlijn 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn?

3. Worden het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van de rechtsstaat als bedoeld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon, ondertekend te Lissabon op 13 december 2007, het in artikel 9 van dit verdrag vervatte beginsel van gelijkheid van de burgers ten overstaan van de rechter en het algemene beginsel van de Unie volgens hetwelk eenieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak, in de zin van artikel 6, lid 3, van dat verdrag, geëerbiedigd in het geval waarin een nationale rechterlijke instantie, waarvan de beslissingen niet voor beroep vatbaar zijn, een uitspraak doet die in strijd is met de op uniformiteit gerichte rechtsopvatting die die nationale rechterlijke instantie heeft aangenomen op grond van haar mandaat uit hoofde van de nationale wettelijke bepaling ter uniformisering van de uitlegging van de wetten en andere algemeen toepasselijke wettelijke bepalingen, aangezien dit noodzakelijk is om

tegenstrijdigheden in de rechtspraak uit de weg te ruimen en wegens de omstandigheid dat een kamer van de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek) was afgeweken van de in een beslissing van een andere kamer van de Najvyšší súd Slovenskej republiky vervatte rechtsopvatting?



Specifiek beleidsterrein: JenV
​​​​​​​