C-709/19 Vereniging van Effectenbezitters

Prejudiciële hofzaak    

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     26 november 2019
Schriftelijke opmerkingen:                     12 januari 2020

Trefwoorden : effectenbezitters, aandeelhouders, bevoegdheid rechters, schadevergoeding, onrechtmatige daad

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (Verordening Brussel I-bis)

 

Feiten:

Verzoeker, VEB, is een vereniging die de belangen van effectenbezitters behartigt door het instellen van collectieve acties op grond van artikel 3:305a BW. Verweerder, BP, is een wereldwijd opererend olie- en gasbedrijf met gewone aandelen genoteerd aan de beurzen van Londen en Frankfurt. Op 20-04-2010 heeft zich op het door BP geleaste olieboorplatform Deepwater Horizon, gelegen in de Golf van Mexico, een explosie voorgedaan met doden en gewonden tot gevolg. Tevens is schade aan het milieu ontstaan. VEB heeft BP in 2015 gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en een collectieve actie ingesteld ten behoeve van alle personen die in de periode van 16-01-2007 tot en met 25-06-2010 gewone aandelen BP hebben gekocht, aangehouden of verkocht via een beleggingsrekening in Nederland of via een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank en/of beleggingsonderneming. VEB heeft gevorderd dat de rechtbank o.a. verklaart dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van de schadevergoedingsvorderingen van de BP-aandeelhouders kennis te nemen en dat er een condicio sine qua non verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van BP en de daardoor tot stand gekomen verkoopvoorwaarden en koersschade zoals geleden door BP-aandeelhouders. VEB stelt dat BP onjuiste, onvolledige en misleidende informatie heeft verstrekt over de olieramp waardoor aandeelhouders beleggingsbeslissingen hebben genomen die zij niet genomen zouden hebben bij een juiste voorstelling van zaken. Toen de juiste informatie alsnog bekend werd, daalde de waarde van hun aandelen en daardoor hebben zij schade geleden. BP betoogt dat zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op een bankrekening, zonder bijkomende omstandigheden niet kan worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt uit hoofde van Verordening Brussel I-bis, daarbij verwijst BP naar het Kolassa-arrest waarin het Hof heeft geoordeeld dat het enkele feit dat de schade zich rechtstreeks voordeed op een bankrekening van Kolassa in Oostenrijk, niet voldoende was om de bevoegdheid van de rechter in Oostenrijk aan te nemen. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van VEB. Het Hof van Beroep heeft dit vonnis bekrachtigd en geoordeeld dat het in de onderhavige zaak gaat om zuiver financiële schade die door beleggers beweerdelijk in Nederland is geleden als gevolg van gebeurtenissen (handelen en/of nalaten van BP) die niet in Nederland hebben plaatsgevonden. Naast die financiële schade zijn er volgens het Hof van Beroep onvoldoende bijzondere omstandigheden voorhanden om de Nederlandse rechter bevoegd te achten.

 

Overweging:

De Hoge Raad twijfelt of Nederland aangemerkt kan worden als Erfolgsort (plaats van het intreden van de schade) en geeft aan dat de vordering in deze zaak niet gebaseerd is op misleidende informatie in een in Nederland verspreid prospectus. BP heeft zich bij de gewraakte informatievoorziening niet afzonderlijk of in het bijzonder gericht tot Nederlandse beleggers. De vraag is daarom of de Nederlandse rechter bevoegd is wanneer het gaat om vorderingen die strekken tot het verhalen van schade op een beleggingsrekening in Nederland of een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank en/of beleggingsonderneming als gevolg van onjuiste, onvolledige of misleidende informatie die openbaar is gemaakt door internationale beursgenoteerde ondernemingen. Verder merkt de Hoge Raad op dat het in deze zaak gaat om een collectieve actie op de voet van artikel 3:305a BW, die aanleiding kan geven tot extra problemen bij het lokaliseren van het Erfolgsort omdat de actie strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen. De bijzonderheden van de individuele (aankoop)transacties komen niet in de collectieve actie aan de orde, evenmin als die van de individuele beslissingen om aandelen die al gehouden werden, niet te verkopen. Het is de vraag of, en zo ja hoe', in een dergelijk geval bijkomende specifieke omstandigheden, indien vereist, moeten worden vastgesteld. Voorts verwijst de Hoge Raad naar de bijzondere bevoegdheidsregels van artikel 7, Verordening Brussel I-bis die niet alleen de internationale bevoegdheid regelen, maar ook de interne relatieve bevoegdheid. De Hoge Raad vraagt zich af door welke factoren de interne relatieve bevoegdheid wordt bepaald.

 

Prejudiciële vragen:

1 (a) Dient art. 7, aanhef en onder 2, van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1; hierna: Verordening Brussel I-bis) aldus te worden uitgelegd dat het rechtstreeks intreden van zuiver financiële schade op een beleggingsrekening in Nederland of een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank en/of beleggingsonderneming, welke schade het gevolg is van beleggingsbeslissingen genomen onder invloed van algemeen wereldwijd verspreide, maar onjuiste, onvolledige en misleidende informatie van een internationale beursgenoteerde onderneming, een voldoende aanknopingspunt oplevert voor internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter uit hoofde van de plaats van het intreden van de schade (Erfolgsort)? (b) Zo nee, zijn bijkomende omstandigheden vereist die rechtvaardigen dat de Nederlandse rechter bevoegd is en welke omstandigheden zijn dat? Zijn de bijkomende omstandigheden die hiervoor in 4.2.2 zijn genoemd, voldoende voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter?

2) Luidt het antwoord op vraag 1 anders indien het gaat om een vordering die op de voet van art. 3:305a BW is ingesteld door een vereniging die tot doel heeft krachtens een eigen recht de collectieve belangen te behartigen van beleggers die schade hebben geleden als bedoeld in vraag 1, hetgeen onder meer meebrengt dat de woonplaatsen van de hiervoor bedoelde beleggers niet zijn vastgesteld, evenmin als de , bijzondere omstandigheden van de individuele aankooptransacties of van de individuele beslissingen om aandelen die al gehouden werden, niet te verkopen?

3) Indien de Nederlandse rechter bevoegd is om op basis van art. 7, punt 2, Verordening Brussel I-bis kennis te nemen van de vordering op de voet van art. 3:305a BW, is die rechter dan op grond van art. 7, punt 2, Verordening Brussel I-bis eveneens internationaal en intern relatief bevoegd om kennis te nemen van alle nadien ingestelde individuele schadevorderingen van beleggers die schade hebben geleden als bedoeld in vraag 1?

4) Indien de Nederlandse rechter als hiervoor bedoeld in vraag 3 wel internationaal, maar niet intern relatief bevoegd is om kennis te nemen van alle individuele schadevorderingen van beleggers die schade hebben geleden als bedoeld in vraag 1, wordt dan de interne relatieve bevoegdheid bepaald op grond van de woonplaats van de gedupeerde belegger, de vestigingsplaats van de bank waar deze belegger zijn persoonlijke bankrekening aanhoudt of de vestigingsplaats van de bank waar de beleggingsrekening wordt aangehouden, dan wel een ander aanknopingspunt?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-375/13), (C-12/15), (C-509/09 en C-161/10), (C-352/13)

Specifiek beleidsterrein: FIN