C-717/18 Procureur-generaal

C-717/18 Procureur-generaal

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 01 januari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 18 februari 2019

Trefwoorden: EAB; strafrecht

Onderwerp:

- Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 - betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: Kaderbesluit);


Feiten:

Op 25.05.2018 is een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd, en een aanvullend EAB is uitgevaardigd op 27.06.2018, door de Audiancia Nacional te Madrid tegen de verdachte, X. X heeft de volgende gevangenisstraffen opgelegd gekregen: i) twee jaren voor het verheerlijken van terrorisme en vernedering van de slachtoffers ervan, ii) één jaar voor laster en ernstige belediging van de Kroon, en iii) zes maanden voor niet-voorwaardelijke bedreiging. Bij beslissing van 17.09.2018 van de rechtbank in eerste aanleg (België) werd het EAB niet ten uitvoer gelegd. De procureur-generaal stelde hoger beroep in tegen deze beslissing op 17.09.2018. De procureur-generaal vordert o.a. dat het EAB ten uitvoer wordt gelegd.


Overweging:

Artikel 2.2. van het Kaderbesluit (in België omgezet met de Wet EAB) bepaalt dat terrorisme tot overlevering op grond van een EAB kan lelden zonder toetsing van de dubbele strafbaarstelling, indien daarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of -maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat. De feiten die geleld hebben tot de veroordeling onder i) werden gepleegd op het moment dat artikel 578 van het Spaanse Strafwetboek het misdrijf strafbaar stelde met een gevangenisstraf van één tot twee jaar (2012/2013). Op 30.03.2015 werd artikel 578 van het Spaans Strafwetboek gewijzigd waardoor het misdrijf strafbaar werd gesteld met een gevangenisstraf van één tot drie Jaar (en een geldelijke boete van twaalf tot achttien maanden). De vraag rijst op welke van beide ogenblikken de verwijzende rechter zich moet stellen om te oordelen of aan de maximale minimale strafdrempel zoals vervat in artikel 2.2. van het Kaderbesluit werd voldaan.


Prejudiciële vragen:

1. Laat artikel 2.2. van het Kaderbesluit EAB, zoals omgezet in Belgisch recht door middel van de Wet EAB, toe dat voor de beoordeling door de uitvoerende lidstaat van de daarin opgelegde maximale minimale strafdrempel van drie jaar beroep wordt gedaan op de strafwet die in de uitvaardigende lidstaat van toepassing is op het ogenblik van het uitvaardigen van het Europees aanhoudingsbevel?

2. Laat artikel 2.2. van het Kaderbesluit EAB, zoals omgezet in Belgisch recht door middel van de Wet EAB, toe dat voor de beoordeling door de uitvoerende lidstaat van de daarin opgelegde maximale minimale strafdrempel van drie jaar beroep wordt gedaan op een op het ogenblik van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel geldende strafwet die de strafmaat verzwaarde, dit in vergelijking met de strafwet die geldig was in de uitvaardigende lidstaat op het ogenblik van de feiten?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-42/11;

Specifiek beleidsterrein: JenV

​​​​​​​