C-719/18 Vivendi

C-719/18 Vivendi

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 28 januari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 14 maart 2019

Trefwoorden: mededinging; vrij verkeer kapitaal, vrij dienstverrichting

Onderwerp:

- Richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn);

- Richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en –diensten (machtigingsrichtlijn);

- Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en –diensten (universeledienstrichtlijn);

- Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en - diensten (kaderrichtlijn);

- Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten);


Feiten:

Vivendi S.A. (verzoekster) is een vennootschap en moedermaatschappij van een industriële groep die actief is in de mediasector. Vivendi heeft een aandeel van 23,94% in het maatschappelijk kapitaal van Telecom Italia, 28,8% in het maatschappelijk kapitaal van Mediaset en 29,94% van de stemrechten in Mediaset. Op 20.12.2016 heeft Mediaset bij de AGCom (toezichthouder voor de communicatiesector) gemeld dat Vivendi inbreuk heeft gemaakt op de gecoördineerde voorschriften betreffende audiovisuele mediadiensten en radiomediadiensten (hierna: TUSMAR). De deelnemingen van Vivendi in de Telecom en Mediaset zouden de in artikel 43(11) TUSMAR vastgelegde grenzen overschrijden. Bij besluit van 18.04.2017 heeft de AGCom vastgesteld dat Vivendi inbreuk maakt op artikel 43(11) TUSMAR, en haar bevolen om deze inbreuk binnen 12 maanden te verhelpen. Vivendi heeft de instructies van de AGCom opgevolgd en daarbij enkele gegevens opgevraagd, die haar niet zijn verstrekt. Vivendi heeft bij de bestuursrechter in eerste aanleg beroep tot nietigverklaring van het besluit ingesteld. Vivendi stelt dat de AGCom inbreuk heeft gemaakt op haar rechten van verdediging, aangezien ze niet was geraadpleegd voordat het betrokken besluit werd vastgesteld. Ook was Vivendi van tevoren niet geïnformeerd over de omvang van de sector elektrische communicatie, de exploitanten die van het geïntegreerde communicatiesysteem deel uitmaken en hun omzet. Daarnaast zou de AGCom het begrip “verbonden” vennootschap onjuist hebben toegepast. Vivendi betoogt dat de sector elektronische communicatie in het litigieuze besluit te eng is afgebakend waardoor enkele belangrijke markten, zoals die van mobiele-telefoniediensten, zijn uitgesloten. Daardoor is de aan Vivendi toe te rekenen omzet onjuist vastgesteld. Vivendi betoogt daarnaast dat de uitlegging van artikel 43(11) TUSMAR in het litigieuze besluit in strijd is met de beginselen van vrij verkeer van kapitaal en vrije dienstverrichting. Wat de schending van de grondbeginselen van vrij kapitaalverkeer en vrije dienstverrichting betreft, merken verweersters op dat het verbod van artikel 43(11) TUSMAR is gebaseerd op het beginsel van bescherming van pluralisme dat in artikel 11 van het Handvest is erkend. Volgens de rechtspraak van het Hof vormt de bescherming van pluralisme een dwingende reden die een beperking van fundamentele vrijheden kan rechtvaardigen.



Overweging:

Gelet op de aangehaalde nationale en Unierechtelijke regelgeving en de argumenten van partijen moeten volgens de verwijzende rechter de passendheid en evenredigheid van de door artikel 43(11) TUSMAR opgelegde beperkingen worden getoetst aan de Unierechtelijke beginselen van vrij verkeer van kapitaal en vrij verrichten van diensten, die staan tegenover evenzeer relevante en erkende beginselen als vrijheid en pluraliteit van informatie.


Prejudiciële vragen:

1. Staat het Unierecht, en inzonderheid het beginsel van vrij kapitaalverkeer als bedoeld in artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in de weg aan artikel 43, lid 11, van decreto legislativo nr. 177 van 31 juli 2005, in de versie die gold op het tijdstip waarop het litigieuze besluit is vastgesteld, volgens welke bepaling „ondernemingen, waaronder begrepen afhankelijke en verbonden vennootschappen, die in de sector elektronische communicatie zoals gedefinieerd overeenkomstig artikel 18 van de Codice delle comunicazioni elettroniche, een omzet hebben die meer dan 40 procent van de totale omzet in die sector bedraagt, in het geïntegreerde communicatiesysteem een omzet van ten hoogste 10 procent van dit systeem mogen behalen”, ondanks dat de lidstaten zelf de mogelijkheid hebben om vast te stellen wanneer ondernemingen een machtspositie hebben (en als gevolg daarvan aan specifieke verplichtingen onderworpen zijn)? Het bovenstaande, voor zover de betrokken sector daarin, onder verwijzing naar artikel 18 van de Codice delle comunicazioni elettroniche, wordt beperkt tot markten die aan regulering ex ante kunnen worden onderworpen, ondanks de algemene ervaring dat informatie (ten aanzien waarvan de regeling beoogt pluralisme te waarborgen) in toenemende mate wordt overgedragen via internet, personal computers en mobiele telefoons, zodat het onredelijk is om met name mobieletelefoniediensten aan eindgebruikers van deze sector uit te sluiten louter omdat deze diensten volledig aan mededinging worden blootgesteld? Het bovenstaande, ook rekening houdend met het feit dat de AGCom de sector elektronische communicatie met het oog op de toepassing van artikel 43, lid 11, van decreto legislativo nr. 177 van 31 juli 2005 juist in de onderhavige procedure heeft afgebakend door alleen die markten in aanmerking te nemen ten aanzien waarvan sinds de inwerkingtreding van de Codice delle comunicazioni elettroniche, dus van 2003 tot heden, ten minste eenmaal een analyse is verricht, en wel met de omzet die kan worden afgeleid uit de laatste bruikbare belastingaanslag, te weten 2015?

2. Staan de beginselen ter bescherming van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting als bedoeld in de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie, de artikelen 15 en 16 van richtlijn 2002/21/EG [inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en –diensten], ter bescherming van pluralisme en vrijheid van meningsuiting en het Unierechtelijke beginsel van evenredigheid in de weg aan de toepassing van een nationale regeling op het gebied van audiovisuele mediadiensten en radiomediadiensten als de Italiaanse, die is vastgesteld in artikel 43, leden 11 en 14, [van decreto legislativo nr. 177 van 31 juli 2005,] volgens welke de omzet die relevant is voor de vaststelling van de tweede drempel van 10 procent ook betrekking kan hebben op ondernemingen die niet afhankelijk en evenmin aan overheersende invloed onderworpen zijn, doch slechts „verbonden” vennootschappen zijn in de zin van artikel 2359 van de codice civile (waarnaar in artikel 43, lid 14 wordt verwezen), ook al kan op deze laatstgenoemde vennootschappen geen enkele invloed worden uitgeoefend ten aanzien van de te verspreiden informatie?

3. Staan de beginselen van vrijheid van vestiging en vrijheid van dienstverrichting als bedoeld in de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie, de artikelen 15 en 16 van richtlijn 2002/21/EG, de beginselen betreffende de bescherming van pluralisme van de informatiebronnen en van de mededinging in de omroepsector als bedoeld in richtlijn 2010/13/EU inzake audiovisuele mediadiensten en richtlijn 2002/21/EG in de weg aan een nationale regeling als decreto legislativo nr. 177 van 31 juli 2005, die in artikel 43, leden 9 en 11 bepaalt dat voor „ondernemingen die verplicht zijn tot inschrijving in het register van aanbieders van communicatiediensten dat overeenkomstig artikel 1, lid 6, onder a), punt 5, van wet nr. 249 van 31 juli 1997 is ingesteld” (te weten ondernemingen waaraan op grond van de geldende regeling een concessie of vergunning van de AGCom of van andere bevoegde overheidsdiensten is verleend, alsook aanbieders van advertentieruimte voor welke kanalen dan ook, uitgevers enzovoort als bedoeld in lid 9) heel andere drempels gelden (van respectievelijk 20 % en 10 %) dan voor ondernemingen die actief zijn in de sector elektronische communicatie zoals hierboven gedefinieerd (in het kader van lid 11)?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: United Pan-Europe Communications Belgium e. a. C-250/06; Collectieve Antennevoorziening Gouda C-288/89; Veronica Omroep Organisatie C-148/91.


Specifiek beleidsterrein: EZK​​​​​​​