C-720/19 Stadt Duisburg

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    22 november 2019
Schriftelijke opmerkingen:                    8 januari 2020

Trefwoorden : Associatieovereenkomst EEG-Turkije; verblijfsvergunning; naturalisatie; verlies rechten

Onderwerp :

•          Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie

 

Feiten:

Verzoekster werd op 01-01-1954 geboren en is Turks onderdaan. Ze heeft zich op 25-07-1970 bij haar Turkse echtgenoot gevoegd, die werknemer was in de Bondsrepubliek Duitsland, en met hem in gezinsverband samengewoond tot zijn dood op 20-08-1998. De haar in het kader van de gezinshereniging voor het eerst op 28-01-1971 verleende, tijdelijke verblijfsvergunning is telkens verlengd en per 15-10-1996 omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verzoekster is op 02-02-2001 tot Duitse genaturaliseerd en heeft op 15-02-2001 de verklaring van afstand van de Turkse nationaliteit overlegd. Met ingang van 20-07-2001 heeft ze de Turkse nationaliteit vrijwillig weer aangenomen en daarmee van rechtswege de Duitse nationaliteit verloren. Het verlies van de Duitse nationaliteit bleef jarenlang onopgemerkt en is middels een besluit van verweerster dat op 08-11-2010 in kracht van gewijsde is gegaan, bekrachtigd. Op verzoek verleende verweerster aan verzoekster op 22-02-2011 weer een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die geldig was tot 21-02-2013 en die telkens werd verlengd. Op 03-02-2017 verzocht verzoekster een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Als argument werd aangevoerd dat ze door het samenleven met haar echtgenoot de rechten had verworven die voortvloeien uit artikel 7 van besluit nr. 1/80. In een brief van 27-03-2017 stelde verweerster dat rechten op grond van de Associatieovereenkomst EEG/Turkije na naturalisatie tot Duits staatsburger niet behouden blijven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

Met zijn eerste prejudiciële vraag wil de verwijzende rechter te weten te komen of het effect van naturalisatie, namelijk het vervallen van de verblijfsvergunning, ook van toepassing kan zijn op van rechtswege verworven verblijfsrechten op grond van besluit nr. 1/80. De verwijzende rechter neigt ertoe aan te nemen dat een eenmaal op grond van artikel 7 van besluit nr. 1/80 verworven recht, ook na naturalisatie in de lidstaat van ontvangst blijft bestaan. Echter, zij twijfelt hierover en verzoekt daarom een prejudiciële beslissing. De tweede vraag strekt ertoe te vernemen of de eerste vraag in die zin moet worden beantwoord dat het niet-bezitten van de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst een conditio sine qua non is voor het bestaan van rechten op grond van artikel 7 van besluit nr. 1/80. Het verlies van de aangenomen nationaliteit van de lidstaat van ontvangst zou dan tot gevolg kunnen hebben dat het recht uit hoofde van de Associatieovereenkomst herleeft.

 

Prejudiciële vragen:

1) Verliest een gezinslid van een Turkse werknemer, dat op grond van artikel 7, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije aan die werknemer rechten kan ontlenen, deze rechten, wanneer hij de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst aanneemt en daarbij tegelijkertijd zijn vorige nationaliteit verliest?

2) Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: kan het gezinslid van de Turkse werknemer in de beschreven situatie zich op de rechten krachtens artikel 7 van besluit nr. 1/80 blijven beroepen als hij de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst weer heeft verloren omdat hij zijn vorige nationaliteit weer heeft aangenomen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-329/97); (C-373/03); (C-303/08); (C-502/04); (C-467/02); (C-337/07); (C-451/11); (C-7/10 en C-9/10);

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB