C-722/18 KROL

C-722/18 KROL

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 24 januari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 10 maart 2019

Trefwoorden: structuurfondsen, aanbesteding

Onderwerp:

- Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties;


Feiten:

Op 09.09.2009 hebben de aanbestedende dienst Teerag-Asdag Polska en Krol de overeenkomst betreffende de aanleg van verschillende wegen gesloten. De verschuldigde vergoeding voor de werkzaamheden werd vastgesteld op 73.815.856,82 PLN. Dit diende te worden vermeerderd met de btw overeenkomstig de geldende regelgeving. De vergoeding diende door de aanbestedende dienst te worden betaald op basis van de facturen die door de aannemer zouden worden uitgereikt naar rato van de voortgang van de werkzaamheden. Het project is onder meer gefinancierd uit het Cohesiefonds van de EU op basis van een cofinancieringsovereenkomst. Porr Polska Construction S.A. is vervolgens als overnemende vennootschap gefuseerd met Teerag-Asdag Polska als overgenomen vennootschap.

Op 03.09.2014 heeft Krol aan Porr Polska S.A. rentenota 1/09/2014 uitgereikt (283.591,26 PLN). Bij brief van 05.09.2014 heeft Krol de verweerster (Porr Polska S.A.) ertoe opgeroepen binnen een termijn van 7 dagen de wettelijke rente (283.591,26 PLN) te voldoen. Bij beslissing van 25.09.2017 is de vordering afgewezen. De rechter heeft geoordeeld dat de overeenkomst van 09.09.2009 gedeeltelijk is gefinancierd met middelen uit het Cohesiefonds van de EU. Daarom heeft de rechter de vordering van verzoekster jegens verweerster inzake de rente over deze handelstransacties niet-ontvankelijk geacht. Verzoekster was het niet eens met deze beslissing en heeft er hoger beroep tegen ingesteld. Verzoekster voert aan dat zij bij de ondertekening van de overeenkomst niet wist dat deze gedeeltelijk zou worden gefinancierd met middelen uit het Cohesiefonds van de EU. De cofinancieringsovereenkomst was een overeenkomst tussen een consortium bestaande uit verweerster en de schatkist, en dus niet tussen verzoekster en verweerster. Verzoekster heeft schending van artikel 4(3)c) van de wet op de betalingstermijnen bij handelstransacties en van artikel 5 van het burgerlijk wetboek aangevoerd. Meer bepaald was er volgens verzoekster sprake van schending van de beginselen van sociale cohesie door discriminatie van Poolse ondernemers ten opzichte van hun tegenhangers in de andere landen van de Europese Unie.


Overweging:

De richtlijn heeft een brede werkingssfeer. Slechts een klein aantal beperkingen wordt gerechtvaardigd door het belang van de consument of de bescherming van schuldenaars in insolventieprocedures. Volgens de verwijzende rechter verzet het non-discriminatiebeginsel zich tegen een praktijk waarbij de levering onder bezwarende titel van goederen of diensten die (gedeeltelijk) worden gefinancierd met middelen van internationale financiële instellingen waarvan Polen lid is of waarmee zij samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten, met niet-terugvorderbare steun van de EU of met middelen uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds van de EU wordt uitgesloten van de werkingssfeer

ervan. De verwijzende rechter gaat daarom over op het stellen van prejudiciële vragen.


Prejudiciële vragen:

Bieden de Unierechtelijke bepalingen, inzonderheid de overwegingen 13, 20 en 22 van richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties en het in artikel 18 VWEU neergelegde beginsel van non-discriminatie de mogelijkheid tot uitsluiting van schadeloosstelling met betrekking tot betalingsachterstanden bij transacties die geheel of gedeeltelijk zijn gefinancierd uit de structuurfondsen en het Cohesiefonds van de Europese Unie, zoals neergelegd in artikel 4, lid 3, onder c), van de ustawa o terminach zapłaty w transakcjach handlowych [wet op de betalingstermijnen bij handelstransacties (Dz. U. 2003, nr. 139, volgnr.
1323)]?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK

​​​​​​​