C-724/19 Spetsializirana prokuratura

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 november 2019
Schriftelijke opmerkingen:                       8 januari 2020

Trefwoorden : EOB, strafprocedure, verkeersgegevens

Onderwerp :

Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken

 

Feiten:

Op 23-02-2018 is een strafprocedure ingeleid in Bulgarije doordat er sinds 2017 in het binnen- en buitenland financiële middelen worden verzameld en ter beschikking gesteld, waarvan bekend is of vermoed wordt dat deze zullen worden gebruikt voor het plegen van terreurdaden. Op 15-08-2018 heeft de officier van justitie vier EOB’s uitgevaardigd, met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal in de vorm van verkeersgegevens over de activiteiten van HP (verdachte). Deze EOB’s zijn naar Oostenrijk, Zweden, Duitsland en België verzonden en hebben in essentie dezelfde inhoud waarin wordt vermeld dat HP wordt verdacht van het financieren van terroristische daden. Op 18-01-2019 is op basis van het verkregen bewijsmateriaal, waaronder ook de antwoorden op de vier EOB’s, tegen HP (en vijf andere personen) vervolging ingesteld. Op 12-09-2019 is de akte van tenlastelegging bij de rechtbank neergelegd. De verwijzende rechter moet nagaan of de tenlastelegging gegrond is. In dit verband dient hij allereerst te onderzoeken of door middel van de bovengenoemde vier EOB’s op rechtmatige wijze om verkrijging van bewijsmateriaal in de vorm van verkeersgegevens is verzocht en dat het bewijsmateriaal dus door de verwijzende rechter bij de vaststelling van de feiten in aanmerking mag worden genomen.

 

Overweging:

Volgens Bulgaars recht is de officier van justitie bevoegd voor het uitvaardigen van een EOB in de fase van het opsporingsonderzoek. Een specifieke regeling voor de uitvaardiging van een EOB ter verkrijging van verkeersgegevens ontbreekt waardoor de officier van justitie ook bevoegd is om een dergelijk EOB uit te vaardigen. De verwijzende rechter vraagt zich af of deze bevoegdheid kan worden geregeld in de nationale normatieve handeling ter omzetting van de richtlijn 2014/41, dan wel of artikel 2, onder c), van die richtlijn betrekking heeft op de autoriteit die in een soortgelijke binnenlandse zaak bevoegd is voor de vergaring van dit soort bewijsmateriaal. Verder is de vraag of een dergelijke nationale regeling verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel aangezien de burger in een soortgelijke binnenlandse zaak zou beschikken over een waarborg, namelijk een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van het verzoek en, de opdracht tot vrijgave van verkeersgegevens in geval van toewijzing van dat verzoek, terwijl dit niet plaatsvindt op gebied van de justitiële samenwerking op Unieniveau. De tweede vraag is of een Bulgaarse officier van justitie, wanneer het gaat om de vergaring van verkeersgegevens van een telecommunicatiebedrijf dat zijn diensten in een andere lidstaat aanbiedt, zelf een EOB ter vrijgave van deze verkeersgegevens mag uitvaardigen en toezenden aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat, die het vereiste onderzoek moet verrichten, zonder eerst een verzoek bij de Bulgaarse rechter in te dienen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Is een bepaling van nationaal recht [artikel 5, lid 1, punt 1, van de Zakon za Evropeyskata zapoved za razsledvane (wet betreffende het Europees onderzoeksbevel)], op grond waarvan in de fase van het opsporingsonderzoek de officier van justitie de bevoegde autoriteit is voor de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel betreffende de overdracht van verkeers- en locatiegegevens in verband met het telecommunicatieverkeer, terwijl in soortgelijke nationale gevallen de rechter daartoe bevoegd is, verenigbaar met artikel 2, onder c), i), van richtlijn 2014/41 en het gelijkwaardigheidsbeginsel?

2) Kan de erkenning van een dergelijk Europees onderzoeksbevel door de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat (een officier van justitie of een onderzoeksrechter) het rechterlijk bevel dat volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat vereist is, vervangen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV