C-725/19 Impuls Leasing România

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     11 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     28 maart 2020

Trefwoorden : oneerlijke bedingen, rechterlijke toetsing, doeltreffendheidsbeginsel

Onderwerp :

Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

 

Feiten:

Op 20-08-2008 heeft verweerder, Impuls Leasing România IFN SA, als financier een financiële-leaseovereenkomst gesloten met verzoekster, IO, voor de overdracht van het gebruiksrecht op een personenauto voor een duur van 48 maanden. Vanaf 2010 was verzoekster niet langer in staat om aan haar periodieke betalingsverplichtingen te voldoen en heeft de personenauto op 19-03-2010 aan verweerder teruggegeven. Op 15-10-2010 heeft verweerder bij een gerechtsdeurwaarder een verzoek tot gedwongen tenuitvoerlegging jegens de verzoekende partij ingediend op grond van de tussen hen gesloten leaseovereenkomst. Na de inning van een bedrag van ongeveer 1 200 EUR is de procedure van gedwongen tenuitvoerlegging op 16-11-2016 beëindigd omdat in het vermogen van verzoekster onvoldoende goederen waren waarop beslag kon worden gelegd. Op 26-03-2019 heeft verweerder bij een andere gerechtsdeurwaarder een tweede verzoek tot gedwongen tenuitvoerlegging ingediend op grond van dezelfde leaseovereenkomst. De ingeschakelde gerechtsdeurwaarder heeft op 08-05-2019 verschillende bevelen verzonden waarmee derdenbeslag op de bankrekeningen van verzoekster werd gelegd met het oog op inning van bepaalde bedragen die zij aan verweerder verschuldigd zou zijn. Naar aanleiding daarvan heeft verzoekster verzet ingesteld tegen de gedwongen tenuitvoerlegging.

 

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat de Roemeense wet bepaalt dat oneerlijke bedingen onder andere bedingen zijn die de consument verplichten om bij niet-nakoming van zijn contractuele verplichtingen bedragen te betalen die onevenredig hoog zijn in vergelijking met de door de beroepsbeoefenaar geleden schade. De leaseovereenkomst, op basis waarvan de procedure van gedwongen tenuitvoerlegging tegen verzoekster is ingeleid, bevat twee bedingen die als oneerlijk zouden kunnen worden aangemerkt. De Roemeense wetgeving bepaalt dat wanneer de gedwongen tenuitvoerlegging plaatsvindt op basis van een executoriale titel zoals een leaseovereenkomst, het oneerlijke karakter van bepaalde bedingen in de overeenkomst uitsluitend kan worden aangevoerd indien de wet niet voorziet in een gerechtelijke procedure voor de nietigverklaring ervan, inclusief een procedure naar gemeen recht. Dit betekent dat een rechterlijke instantie niet langer de mogelijkheid heeft om bij verzet tegen een gedwongen tenuitvoerlegging het eventuele oneerlijke karakter van bedingen van een overeenkomst als de onderhavige te onderzoeken, aangezien er een procedure naar gemeen recht bestaat in het kader waarvan een dergelijke overeenkomst zou kunnen worden getoetst op oneerlijke bedingen. Volgens de verwijzende rechter moeten de nationale mechanismen van gedwongen tenuitvoerlegging voldoen aan de voorwaarde dat de uitoefening van de door het Unierecht aan de consumenten verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of onevenredig moeilijk wordt gemaakt, overeenkomstig het doeltreffendheidsbeginsel. De verwijzende rechter heeft daarom besloten een prejudiciële vraag te stellen over de uitlegging van richtlijn 93/13/EEG en het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht.

 

Prejudiciële vragen:

Moet richtlijn 93/13/EEG in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling, zoals de toepasselijke Roemeense wetgeving inzake de voorwaarden voor de

ontvankelijkheid van het verzet tegen de tenuitvoerlegging – artikel 713, lid 2, van de Cod de procedură civilă, zoals gewijzigd bij Legea nr. 310/2018 – die, in geval van verzet tegen de tenuitvoerlegging, niet de mogelijkheid biedt dat op verzoek van de consument of door de rechter ambtshalve wordt onderzocht of de bedingen van een leaseovereenkomst die een executoriale titel vormen oneerlijk zijn, omdat overeenkomsten tussen een „consument” en een „verkoper of leverancier” („beroepsbeoefenaar”) door middel van een procedure krachtens gemeen recht kunnen worden getoetst aan het bestaan van oneerlijke bedingen in de zin van die richtlijn?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-243/08), (C-49/14), (C-407/18)

Specifiek beleidsterrein: EZK