C-726/19 Instituto Madrileño de Investigación y Desarrollo Agrario y Alimentario

Prejudiciële hofzaak    

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     2 december 2019
Schriftelijke opmerkingen:                     18 januari 2020

Trefwoorden : arbeidsovereenkomst, ad-interim

Onderwerp :

•          Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

•          Raamovereenkomst van het EVV, de Unice en het CEEP inzake de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, bijlage bij richtlijn 1999/70.

 

Feiten:

JN trad op 23-06-2003 in dienst bij het Madrileens instituut voor agrarisch onderzoek en ontwikkeling van de autonome regio Madrid (instituut) in de beroepscategorie horecamedewerkster, op grond van een ad-interimovereenkomst voor de vervulling tijdens de selectieprocedure van een vacature die verbonden is aan het werkaanbod voor openbare ambten (WOA) uit 2002. De overeenkomst werd in het jaar 2008 verlengd omdat de functie die zij vervulde leeg bleef na de aanbesteding van de overplaatsingen die in het jaar 2005 plaatsvonden. In het jaar 2009 vond een nieuwe oproep voor overplaatsingen plaats, die in het jaar 2016 werden afgehandeld. Op 03-10-2016 werd aan JN kenbaar gemaakt dat haar overeenkomst ten einde kwam in verband met de tenuitvoerlegging van het WOA. Op 24-05-2017 stelde JN een vordering in bij de Spaanse arbeidsrechter in de eerste aanleg welke oordeelde dat de arbeidsverhouding een niet-vaste arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd was geworden aangezien de werkneemster die de vacature tijdelijk invulde, dit gedurende een periode had gedaan die de termijn van drie jaren, zoals bepaald in artikel 70 EBEP, had overschreden. Aldus bepaalde de rechter dat de beëindiging van de overeenkomst van JN rechtmatig was, aangezien de vacature werd vervuld middels een selectieprocedure, maar dat haar een schadevergoeding betaald zou moeten worden die gelijk is aan 20 dagen voor elk dienstjaar, hetgeen neerkwam op een bedrag van 3 266,48 EUR. Het instituut heeft hier hoger beroep tegen ingesteld bij de verwijzende rechter en voert aan dat de arbeidsverhouding met JN niet kan worden omgezet in een niet-vaste arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd. Het instituut is van mening dat artikel 70 EBEP niet van toepassing is in de gevallen die worden geregeld in de vierde overgangsbepaling van de EBEP aangezien de arbeidsplaats is verbonden aan een WOA van vóór 2005. Daardoor is er geen sprake van een niet verlengbare periode van drie jaar om deze arbeidsplaats te vervullen, maar zijn de artikelen 13 en 14 van de cao van toepassing. Het instituut stelt dat clausule 5 van de raamovereenkomst uitgaat van het gebruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd en niet van de verlengde duur van één enkele overeenkomst, die volgens het instituut rechtmatig is. JN is van oordeel dat de nationale regeling clausule 5 van de richtlijn schendt, aangezien er een tijdslimiet is voor de tijdelijke overeenkomsten die aangegaan zijn door overheidsinstanties.

 

Overweging:

De verwijzende rechter stelt dat artikel 15, lid 1, onder c), ET, dat richtlijn 1999/70 omzet, de tijdelijke overeenkomsten tracht te beperken om zo het misbruik van de voorschriften uit de communautaire normen te voorkomen. Dit artikel staat de ad-interimovereenkomst in één enkel geval toe: „wanneer er sprake is van de vervanging van werknemers die recht hebben op behoud van hun arbeidsplaats, mits in de arbeidsovereenkomst de naam van de vervangen werknemer en de reden voor de vervanging worden vermeld.” Het voorziet derhalve niet in een ad-interimovereenkomst voor de invulling van een onbezette arbeidsplaats. Die rechtsfiguur wordt in het leven geroepen in artikel 4, lid 1, van koninklijk besluit 2720/1998,  welke de mogelijkheid vaststelt om een ad-interimovereenkomst te sluiten „ter tijdelijke invulling van een functie tijdens de selectie- of promotieprocedure om die functie definitief in te vullen” om te voorzien in de behoefte van de overheidsdiensten om de onbezette arbeidsplaatsen te vervullen in de periode dat deze open worden gesteld en middels de daarbij horende procedure en in overeenstemming met de principes van verdienste en geschiktheid worden toebedeeld. Het probleem is echter dat het koninklijk besluit wel een limiet stelt voor de duur van ad-interimovereenkomsten voor de vervulling van onbezette arbeidsplaatsen terwijl zij volgens Spaanse rechtspraak geen tijdslimiet hebben en de duur ervan onderhevig is aan de willekeur van de overheidsinstantie.

 

Prejudiciële vragen:

1) Doet een tijdelijke overeenkomst zoals de ad-interimovereenkomst ter invulling van een vacature tijdens een selectieprocedure, waarvan de duur aan de willekeur van de werkgever wordt overgelaten doordat hij bepaalt of de vacature al dan niet wordt vervuld, wanneer deze wordt vervuld en hoelang de procedure loopt, afbreuk aan het nuttig effect van de clausules 1 en 5 van [de raamovereenkomst bij] richtlijn 1999/70/EG van de Raad?

2) Kan worden geacht dat de in clausule 5 van [de raamovereenkomst bij] richtlijn 1999/70 opgenomen verplichting om een of meer van de daarin vermelde maatregelen ter voorkoming van misbruik van tijdelijke overeenkomsten te nemen, in Spaans recht is omgezet waar het gaat om ad-interimovereenkomsten ter tijdelijke invulling van vacatures tijdens selectieprocedures, wanneer volgens de rechtspraak geen maximale duur is bepaald voor dergelijke tijdelijke arbeidsverhoudingen, noch objectieve gronden worden genoemd die de verlenging ervan rechtvaardigen, noch het aantal verlengingen van die arbeidsverhoudingen is vastgesteld?

3) Wordt afbreuk aan het doel en nuttig effect van de raamovereenkomst gedaan door de omstandigheid dat volgens de rechtspraak er in het Spaanse recht geen effectieve maatregelen ter voorkoming en sanctionering van misbruik van werknemers met ad-interimovereenkomsten ter tijdelijke invulling van vacatures tijdens selectieprocedures zijn, aangezien de maximale duur van de totale arbeidsverhouding niet is begrensd, de arbeidsverhouding ongeacht de jaren die verstrijken nooit kan worden omgezet in een vaste of niet-vaste overeenkomst voor onbepaalde tijd, werknemers bij de beëindiging van hun arbeidsverhouding geen vergoeding krijgen, en de overheidsinstantie geen rechtvaardigingsgrond hoeft te geven voor de verlenging van de tijdelijke arbeidsverhouding, ook al wordt de overheidsvacature jarenlang niet opengesteld of loopt de selectieprocedure vertraging op?

4) Is een tijdloze arbeidsverhouding, waarvan de duur i) volgens het arrest van de Grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2018 (C-677/16) ongebruikelijk lang is, ii) zonder enige beperking of rechtvaardiging volledig aan de willekeur van de werkgever wordt overgelaten, zonder dat de werknemer kan voorspellen wanneer deze eindigt, en iii) kan voortduren tot aan zijn pensioen, in overeenstemming met het doel van richtlijn 1999/70, of is er bij een dergelijke arbeidsverhouding sprake van misbruik?

5) Kan in overeenstemming met het arrest van de Tiende kamer van het Hof van Justitie van 25 oktober 2018 (C-331/17) de economische crisis van 2008 als een abstracte rechtvaardigingsgrond gelden voor het ontbreken van preventieve maatregelen tegen misbruik van opeenvolgende arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd als bedoeld in clausule 5, lid 1, van de raamovereenkomst, welke maatregelen hadden kunnen voorkomen of tegengaan dat de arbeidsverhouding tussen verzoekster in eerste aanleg en de autonome regio Madrid van 2003 tot 2008 zou voortduren en vervolgens tot 2016 zou worden verlengd, waardoor de tijdelijke overeenkomst 13 jaar heeft geduurd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-307/05), (C-378/07, C-379/07 en C-380/07), (C-16/15), (C-494/16), (C-677/16), (C-331/17), (C-619/17), (C-494/17)

Specifiek beleidsterrein: SZW