C-729/19 Department of Justice for Northern Ireland

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     20 november 2019
Schriftelijke opmerkingen:                       6 januari 2020

Trefwoorden : onderhoudsverplichtingen

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (onderhoudsverordening).

 

Feiten:

Verzoeker is een Pools staatsburger. In 1991 is hij in het huwelijk getreden en heeft twee zoons gekregen met AKF. In 1999 heeft de Poolse rechter een onderhoudsbeslissing genomen ten gunste van AKF tegen verzoeker. Tussen december 2002 en februari 2003 liep er een verdere procedure betreffende onderhoudsverplichtingen bij een Poolse rechter die heeft geleid tot een nieuwe beslissing inzake onderhoudsverplichtingen gegeven in 2003. In 2004 zijn verzoeker en AKF gescheiden.  Op 01-05-2004 is Polen tot de EU toegetreden. Sinds 2006 is verzoeker woonachtig in Noord-Ierland. Op 08-04-2010 werd het Haagse Protocol bindend voor Polen en op 18-06-2011 is de onderhoudsverordening in werking getreden. In 2013 en 2014 zijn drie onderhoudsbeslissingen die gegeven waren door de Poolse rechter in 2003, geregistreerd en uitvoerbaar verklaard door de griffier van de Noord-Ierse rechter in de eerste aanleg. Verzoeker betwist de beslissingen om deze Poolse onderhoudsbeslissingen te registreren en uitvoerbaar te verklaren en geeft aan dat Polen ten tijde van de beslissingen van de Poolse rechter geen lidstaat was van de EU waardoor de onderhoudsverordening niet van toepassing was en alle bestreden beslissingen onwettig zijn geworden. Verweerder stelt dat artikel 75, lid 2, onder a), van de onderhoudsverordening van toepassing is op beslissingen, in lidstaten gegeven voordat de verordening van toepassing wordt, en waarvan na dat tijdstip erkenning en uitvoerbaarverklaring wordt gevraagd. Volgens verweerder zijn hierdoor ook afdelingen 2 en 3 van hoofdstuk IV van de onderhoudsverordening van toepassing, aangezien artikel 75 geen bepalingen bevat met betrekking tot voorwaarden van het Haagse Protocol.

 

Overweging:

De Noord-Ierse rechter in de eerste aanleg heeft vastgesteld dat de onderhoudsverordening geen bepaling bevat op grond waarvan de temporele werkingssfeer ervan in Polen zou zijn beperkt tot enkel die rechterlijke onderhoudsbeslissingen die zijn gegeven na de toetreding van Polen tot de EU. Daarnaast heeft de rechter in eerste aanleg vastgesteld dat artikel 75, lid 2, niet van toepassing was, omdat Polen aan het Haagse Protocol gebonden is. Tot slot heeft de rechter vastgesteld dat hoofdstuk VII van de onderhoudsverordening in casu van toepassing was (krachtens artikel 75, lid 3) en dat de beslissingen op juiste wijze zijn geregistreerd en uitgevoerd op grond van dat hoofdstuk. Bij het Hof van Beroep is beroep ingesteld inzake de juiste toepassing ratione temporis van de onderhoudsverordening voor de registratie en de uitvoerbaarverklaring van onderhoudsbeslissingen en betreffende de toepasselijkheid van artikel 75, lid 2, op beslissingen die zijn gegeven in een staat die aan het Haagse Protocol is gebonden.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 75, lid 2, van onderhoudsverordening EG 4/2009 aldus worden uitgelegd dat die bepaling alleen van toepassing is op „beslissingen” die zijn genomen in staten die op het moment van die beslissingen lid van de EU waren?

2) Aangezien Polen thans een aan het Haagse Protocol gebonden lidstaat van de Europese Unie is, kunnen onderhoudsbeslissingen van een rechter in Polen die werden gegeven in 1999 en 2003, dat wil zeggen vóór de toetreding van Polen tot de Europese Unie, nu in een andere lidstaat van de Unie worden geregistreerd en uitgevoerd krachtens een bepaling van verordening (EG) 4/2009 (de onderhoudsverordening), en met name: a) op grond van artikel 75, lid 3, en artikel 56 van de onderhoudsverordening; b) op grond van artikel 75, lid 2, en afdeling 2 van hoofdstuk IV van de onderhoudsverordening; c) op grond van artikel 75, lid 2, onder a), en afdeling 3 van hoofdstuk IV van de onderhoudsverordening; d) op grond van een ander artikel van de verordening?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Wolf Naturprodukte (C-514/10)

Specifiek beleidsterrein: JenV