C-73/19 Movic e.a.

Prejudiciële hofzaak

 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 25 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 11 mei 2019

Trefwoorden : bevoegdheid; oneerlijke handelspraktijken, consumenten

Onderwerp :

- Verordening nr. 1215/2015 d.d. 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: verordening);

 

Feiten:

Op 02.12.2016 hebben appellanten (1) de Belgische Staat vertegenwoordigd door zijn minister van Werk, Economie en consumenten, (2) de Belgische Staat vertegenwoordigd door de Directeur-Generaal van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, en (3) de Directeur-generaal van de Algemene directie Controle en bemiddeling van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, enerzijds Movic B.V. en anderzijds Events Belgium B.V. en Leisure Tickets & Activities International B.V. (allen vennootschappen naar Nederlands recht) gedagvaard. Zij werden verweten systematisch tickets voor evenementen in België voor verhoogde prijzen door te verkopen via verschillende websites in strijd met de bepalingen van de wet van 30.07.2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen (hierna: wet van 30.07.2013). Er werd gevorderd om de inbreuken vast te stellen en de staking ervan te bevelen. Daarnaast werd tevens de vaststelling en een stakingsbevel gevorderd van de misleidende en oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten. Volgens geïntimideerden handelt de overheid in casu krachtens overheidsbevoegdheid nu er in wezen een stakingsvordering is ingesteld door een Belgische overheid. Hierdoor zou het niet binnen het materieel toepassingsgebied van de Verordening vallen. Geïntimideerden wierpen in eerste aanleg een exceptie van internationale onbevoegdheid van de Belgische rechter op. Met het bestreden vonnis van 25.10.2017 oordeelde de rechter niet over internationale rechtsmacht te beschikken om kennis te nemen van de voorliggende vorderingen. Eisende partijen werden verwezen in de gedingkosten. De eisende partijen gingen in hoger beroep. Zij vinden dat de eerste rechter zich ten onrechte internationaal onbevoegd heeft verklaard en handhaven hun oorspronkelijke vorderingen. Geïntimeerden sturen aan op de ongegrondheid van het hoger beroep gelet op de afwezigheid van rechtsmacht.

 

Overweging:

Partijen zijn het oneens over de vraag of in casu de uitoefening van de bevoegdheid van een overheidsinstantie om een rechtsvordering in te stellen ter beteugeling van inbreuken op de wet van 30.07.2013 in een transnationale situatie al dan niet een handelen krachtens overheidsbevoegdheid is. Gelet op het feit dat de bestaande rechtspraak van het Hof op de specifieke situatie in huidig geschil niet zonder meer lijkt te kunnen worden toegepast en gelet op het belang van een uniforme toepassing van het recht van de Unie, acht het hof het aangewezen om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. Het antwoord op de prejudiciële vraag lijkt noodzakelijk om de opgeworpen exceptie van internationale bevoegdheid onder het Europees verdragsrecht te kunnen beslechten.

 

Prejudiciële vraag:

Is een rechtsgeding betreffende een vordering strekkende tot het doen vaststellen en doen staken van inbreukmakende marktpraktijken en/of handelspraktijken jegens consumenten, ingesteld door de Belgische overheid ten aanzien van Nederlandse vennootschappen die vanuit Nederland via websites zich richten op een hoofdzakelijk Belgisch cliënteel voor de doorverkoop van tickets voor evenementen die plaats vinden in België, op grond van artikel 14 van de wet van 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen en op grond van artikel VII.1 WER, een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1, eerste alinea, van de Europese Verordening nr. 1215/2015 d.d. 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en kan een in dergelijk rechtsgeding gewezen rechterlijke beslissing om die reden binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Sapir e.a. C-645/11; LTU/Eurocontrol 29/76; Gemeente Steenbergen C-271/00;

Specifiek beleidsterrein: JenV; EZK

​​​​​​​