C-735/19 Euromin Holdings (Cyprus)

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 december 2019
Schriftelijke opmerkingen:                     20 januari 2020

Trefwoorden : effecten, berekeningsmethode, minderheidsbelangen

Onderwerp :

•          Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod

•          Verordening (EU) nr. 1254/2012 van de Commissie van 11 december 2012, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad met het oog op de invoeging van International Financial Reporting Standard 10, International Financial Reporting Standard 11, International Financial Reporting Standard 12, International Accounting Standard 27 (2011), en International Accounting Standard 28 (2011)

 

Feiten:

De verzoeker in eerste aanleg kocht effecten van de onderneming AS „Ventspils nafta”. Aangezien zij 93,24 % van de effecten met stemrecht in AS „Ventspils nafta” verwierf, was zij overeenkomstig artikel 66, lid 1, punt 1, van de wet betreffende de markt van financiële instrumenten (WMFI) verplicht om een overnamebod uit te brengen op de resterende effecten van die onderneming. De verzoekende partij in eerste aanleg bezorgde de commissie financiële en kapitaalmarkten (commissie) een prospectus betreffende het overnamebod van de effecten, waarin was opgenomen dat de overnameprijs van de effecten 3,12 EUR per effect bedroeg. De commissie heeft dit bedrag afgewezen en verzoeker bij besluit van 15-10-2015 toestemming gegeven om een verplicht overnamebod van effecten uit te brengen tegen een prijs van 4,56 EUR per effect. In het besluit werd aangegeven dat overeenkomstig artikel 74, lid 1, punt 3, WMFI bij de publicatie van een dergelijk bod de prijs voor overname van een effect niet lager mag zijn dan de waarde van het effect, die wordt berekend door de netto-activa van de onderneming te delen door het aantal uitgegeven effecten. De verzoeker heeft de bestuursrechter in eerste aanleg verzocht dit besluit onwettig te verklaren omdat een dergelijke berekening volgens haar onjuist is en de prijs van een effect ten onrechte opdrijft, waardoor zij schade heeft geleden. Bij zijn vonnis wees de bestuursrechter het verzoek gedeeltelijk toe. Hij verklaarde het bestreden besluit onwettig en veroordeelde de commissie ertoe om 50 % van de geleden schade te vergoeden. De commissie is het hier niet mee eens en stelt onder andere dat de bestuursrechter aan artikel 74, lid 1, punt 3, WMFI een uitlegging geeft die strijdig is met de doelstelling van richtlijn 2004/25/EG. Verder verwerpt zij de kritiek dat zij de prijs van de effecten op artificiële manier heeft verhoogd, aangezien zij bij de prijsberekening van het effect ook rekening heeft gehouden met de minderheidsdeelnemingen van AS „Ventspils nafta” in de dochterondernemingen en de prijs heeft berekend volgens „objectieve waarderingscriteria die gewoonlijk bij de financiële analyse worden toegepast.” De verzoeker in eerste aanleg komt ook op tegen het vonnis en stelt dat nationale regelgevende instanties zich niet op een voldoende ernstige wijze zullen buigen over vragen inzake de uitlegging van regels die geen eenduidig antwoord kennen als een rechter het bedrag van de schadevergoeding automatisch beperkt tot 50% zonder dat er zich bijzondere objectieve omstandigheden voordoen.

 

Overweging:

In het onderhavige geval is het de vraag of de commissie op correcte wijze artikel 74, lid 1, punt 3, WMFI heeft toegepast, toen ze bij de berekening van de prijs van het effect de minderheidsbelangen heeft toegevoegd aan de netto-activa. In het vonnis van de bestuursrechter wordt erop gewezen dat overeenkomstig richtlijn 2004/25 moet worden aangenomen dat artikel 74, lid 1, punt 1, WMFI de hoofdmethode vormt om de prijs van het effect vast te stellen en dat de methoden die in artikel 74, lid 1, punten 2 en 3, WMFI beschreven worden, enkel mogen worden gebruikt in gevallen waarin er sprake is van uitzonderlijke gebeurtenissen. Na onderzoek van artikel 74, lid 1, WMFI besluit de bestuursrechter dat dit lid niet zó is geschreven dat zou kunnen worden aangenomen dat de in leden 2 en 3 voorziene methoden uitsluitend in uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden gebruikt. Daarentegen is volgens die rechter de effectenmarkt in Letland erg klein en kan dit beperkte volume aan transacties als een uitzonderlijke gebeurtenis worden beschouwd. De verwijzende rechter betwijfelt dat de berekeningsmethode uitsluitend van toepassing is op gevallen waarin er sprake is van „uitzonderlijke gebeurtenissen en ook of het geringe volume aan transacties in de aandelenmarkt van Letland beschouwd kan worden als een uitzonderlijke gebeurtenis in de zin van richtlijn 2004/25. Verder vraagt de verwijzende rechter zich af of de bepaling in artikel 13, lid 3, punt 3, van de wet betreffende het herstel van schade veroorzaakt door de nationale autoriteiten, volgens hetwelk de schadeloosstelling lager kan zijn dan 50 % van het schadebedrag, verenigbaar is met de fundamentele regels en beginselen van het recht van de Europese Unie, en de rechtspraak van het Hof. In het licht van de feitelijke omstandigheden van deze zaak betwijfelt de verwijzende rechter ook of alle voorwaarden om te kunnen besluiten tot overheidsaansprakelijkheid, zoals die naar voren komen in de rechtspraak van het Hof, zijn vervuld.

 

Prejudiciële vragen:

1) Is een nationale regeling die bepaalt dat de prijs van een effect bij een verplicht overnamebod wordt berekend door de netto-activa van de doelvennootschap [met inbegrip van de belangen zonder overheersende zeggenschap (minderheidsbelangen)] te delen door het aantal uitgegeven effecten in strijd met de juiste toepassing van richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod?

2) Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, en de belangen zonder overheersende zeggenschap of minderheidsbelangen dus niet tot de netto-activa van de doelvennootschap moeten worden gerekend, kan een methode tot vaststelling van de prijs van een effect dan als „duidelijk omschreven” worden beschouwd in de zin van artikel 5, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod, wanneer het voor een juist begrip daarvan noodzakelijk is om een methode van jurisprudentiële rechtsontwikkeling toe te passen, namelijk de teleologische reductie?

3) Is het verenigbaar met artikel 5, lid 4, van richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod, dat wil zeggen met de bepaling van een billijke prijs, wanneer een regeling bepaalt dat de hoogste prijs moet worden gekozen uit de volgende drie varianten: 1) de prijs waartegen de bieder of in onderling overleg met hem handelende personen de effecten van de doelvennootschap in de voorafgaande twaalf maanden hebben verkregen. Bij koop van effecten tegen verschillende prijzen zal de overnameprijs de hoogste van de aankoopprijzen zijn die is betaald in de twaalf maanden vóór het ontstaan van de wettelijke verplichting om een overnamebod uit te brengen; 2) de gewogen gemiddelde prijs van het effect op de gereglementeerde markt of op de multilaterale handelsfaciliteit met het grootste transactievolume van die effecten gedurende de laatste twaalf maanden. De gewogen gemiddelde prijs van het effect zal worden berekend op basis van de twaalf maanden voorafgaand aan het ontstaan van de wettelijke verplichting om een overnamebod uit te brengen; 3) de waarde van het effect die wordt verkregen door de netto-activa van de doelvennootschap te delen door het aantal uitgegeven effecten. De netto-activa worden berekend door van het totale bedrag aan activa van de doelvennootschap de passiva en de eigen effecten af te trekken. Indien de doelvennootschap beschikt over effecten met een verschillende nominale waarde worden ter berekening van de waarde van het effect de netto-activa gedeeld naar verhouding van het percentage dat elk effect met een verschillende nominale waarde vertegenwoordigt in het maatschappelijk kapitaal?

4) Indien de berekeningsmethode die in het nationale recht is vastgesteld met gebruikmaking van de beoordelingsmarge die artikel 5, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod de lidstaten verleent, een hogere prijs oplevert dan de prijs berekend volgens artikel 5, lid 4, eerste alinea, is het dan in overeenstemming met de doelstelling van de richtlijn om steeds de hoogste prijs te kiezen?

5) Kan het nationale recht voor het geval dat een particulier schade ondervindt door de onjuiste toepassing van het recht van de Europese Unie, in een beperking van het herstel van die schade voorzien wanneer die beperking zowel wordt toegepast ten aanzien van schade die het gevolg is van de onjuiste toepassing van het nationale recht als ten aanzien van schade die wordt veroorzaakt door de onjuiste toepassing van het Unierecht?

6) Verlenen de op deze zaak toepasselijke bepalingen van richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod, rechten aan particulieren, dat wil zeggen, is voldaan aan dat vereiste voor aansprakelijkheid van de staat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-6/90 en C-9/90), (C-224/01), (C-168/15),  (C-206/16), (C-571/16), CCOO (C-55/18), (C-620/17)

Specifiek beleidsterrein: EZK, FIN