C-738/19 A

Prejudiciële hofzaak       

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     27 november 2019
Schriftelijke opmerkingen:                     13 januari 2020

Trefwoorden : huurovereenkomst, boetebeding, schadevergoeding

Onderwerp :

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

 

Feiten:

Met ingang van 12-04-2017 huurt gedaagde 1 van eiseres een sociale huurwoning in Amsterdam. Naar aanleiding van een overlastmelding door omwonenden, hebben twee medewerkers van eiseres een onaangekondigd huisbezoek gebracht aan de woning waaruit het vermoeden is ontstaan dat gedaagde 1 de woning onderverhuurt aan haar dochter (gedaagde 2) en dat zij sinds de aanvang van de huurovereenkomst jaarlijks gedurende langere periodes in Suriname is geweest. Eiseres stelt dat dit in strijd is met de huurovereenkomst en dat gedaagde 1 de huurschuld en de lopende huur niet heeft betaald en daarbij ook winst heeft gemaakt op de onderverhuur. Gedaagde 1 heeft het verweer gevoerd dat de woning wel degelijk haar hoofdverblijf is. Zij verblijft weliswaar veel in haar tuinhuis en gaat regelmatig naar Suriname, maar zij slaapt ook twee of drie dagen per week in de woning. Verder heeft zij aangevoerd dat geen sprake is van onderverhuur aan gedaagde 2, maar dat gedaagde 2 bij haar inwoont tegen betaling van kostgeld. Gedaagde 2 stelt dat eiseres ervan op de hoogte was dat zij met haar zoontje in de woning zou gaan wonen. De voorzieningenrechter heeft gedaagde 1 veroordeeld om aan eiseres de openstaande huurschuld, een dwangsom en een gebruiksvergoeding te betalen. Daarnaast heeft de eiseres gevorderd dat gedaagde 1 zal worden veroordeeld de contractuele boete te voldoen die is gesteld op verboden onderhuur, alsmede tot voldoening van een voorschot op de ingevolge artikel 6:104 BW verschuldigde schadevergoeding. Partijen hebben hierover niet of nauwelijks gedebatteerd. De rechter dient ambtshalve te waken tegen toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten gesloten met consumenten, en dus te toetsen of het boetebeding eerlijk is.

 

Overweging:

Volgens artikel 3, lid 1, van de richtlijn 93/13/EG wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De voorzieningenrechter van rechtbank Amsterdam twijfelt of het boetebeding eerlijk is. Aan de ene kant is dit beding immers vérgaand omdat de op verboden onderhuur gestelde boete een bedrag beloopt van 7-8 keer de verschuldigde maandhuur, en de huurders van eiseres per definitie weinig draagkrachtig zijn. Daartegenover staat echter dat het boetebeding ertoe strekt om zoveel mogelijk te waarborgen dat sociale huurwoningen, die zoals eerder opgemerkt in Amsterdam zeer schaars zijn, worden bewoond door personen die tot de doelgroep behoren en zich geen oneigenlijke voorrang hebben verschaft. De verwijzende rechter is van oordeel dat het onderhavige boetebeding, op zichzelf bezien, niet oneerlijk is. De vraag rijst echter of de beoordeling van de eerlijkheid van het boetebeding mag worden beperkt tot dit beding zelf. In het licht van het Radlingerarrest van het Hof, moet de vraag onder ogen worden gezien of bij die beoordeling ook de overige (boete)bedingen in de huurovereenkomst dienen te worden betrokken. Anders dan het geval was in dat arrest, gaat het in deze zaak niet om een geval waarin aan één en dezelfde tekortkoming contractueel meer dan één sanctie is verbonden, maar om een geval waarin boetebedingen zijn verbonden aan een reeks tekortkomingen van uiteenlopende aard, met bovendien nog een vangnetbepaling.

 

Prejudiciële vragen:

Hoe dient richtlijn 93/13, en meer in het bijzonder het daarin besloten beginsel van cumulatieve werking, te worden uitgelegd bij de beoordeling of de schadevergoeding die wordt opgelegd aan de consument die zijn verbintenissen niet nakomt (hierna: boetebeding), onevenredig hoog is in de zin van punt 1, onder e), van de bijlage bij die richtlijn, in een geval waarin het gaat om boetebedingen die zijn verbonden aan tekortkomingen van uiteenlopende aard welke zich naar hun aard niet gezamenlijk hoeven voor te doen, en dat in het concrete geval ook inderdaad niet doen? Is daarbij mede van belang dat in verband met de tekortkoming op grond waarvan de boete wordt gevorderd, ook schadevergoeding in de zin van afdracht van onrechtmatig gemaakte winst wordt gevorderd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-377/14)

Specifiek beleidsterrein: EZK, BZK