C-741/19 République de Moldavie

C-741/19 République de Moldavie

Dtuch Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     5 december 2019
Schriftelijke opmerkingen:                     21 januari 2020

Trefwoorden : energiehandvest, internationaal recht, gemengde verdragen, elektriciteit, investering, territorialiteit

Onderwerp : Verdrag inzake het Energiehandvest (EHV).

 

Feiten:

Oekraïne en Moldavië zijn voormalige Sovjetrepublieken met onderling gekoppelde elektriciteitsnetten. Op 01-02-1999 werd contract 01/01 gesloten tussen Ukrenergo, een Oekraïense elektriciteitsproducent, Energoalians, een Oekraïense private onderneming gespecialiseerd in de productie en distributie van elektriciteit, en Moldtranselectro, een Moldavisch overheidsbedrijf opgericht in 1997. Volgens het contract kocht Energoalians elektriciteitvan Ukrenergo voor export naar Moldavië. Op 24-02-1999 werd contract 24/02 gesloten waarin werd bepaald dat Energoalians elektriciteit zou leveren aan Derimen een op de Britse Maagdeneilanden geregistreerde onderneming, en daartegenover betaling zou ontvangen. Daarnaast werd vermeld dat Moldtranselectro als begunstigde, elke maand een bestelformulier met de benodigde hoeveelheid elektriciteit zou indienen bij Ukrenergo, met als gevolg dat Ukrenergo de elektriciteit zou leveren en Derimen de prijs van de verkochte elektriciteit zou terugkrijgen van Moldtranselectro. De addenda van het contract bepaalden hoe hoog die betalingen zouden zijn. Moldtranselectro betaalde Derimen voor een deel van het jaar 1999 en voor het gehele jaar 2000. De overige in 1999 geleverde elektriciteit bleef onbetaald. Bij contract ondertekend in 2000 heeft Derimen haar vordering op Moldtranselectro overgedragen aan Energoalians die vervolgens tevergeefs heeft geprobeerd dit bedrag te innen door een vordering in te stellen bij de Moldavische en vervolgens de Oekraïense gerechtelijke instanties, waarna is besloten een ad-hoc-arbitrageprocedure in te stellen. Bij een arbitraal vonnis dat op 25-10-2013 in Parijs bij meerderheid van stemmen is gewezen, heeft het scheidsgerecht zich bevoegd verklaard en gesteld dat Moldavië haar internationale verplichtingen niet was nagekomen en haar op grond van het EHV veroordeeld tot betaling van het totaalbedrag aan Energoalians. Volgens het scheidsgerecht had Energoalians een „investering”, in de zin van het EHV, gedaan in het overheidsbedrijf Moldtranselectro, gezien de tamelijk ruime omschrijving van dit begrip in het EHV. Moldavië heeft beroep tot vernietiging van dat vonnis ingesteld. In 2014 is de vennootschap Komstroy de rechtsopvolger van Energoalians geworden. Bij vonnis van 12-04-2016 heeft de Cour d’appel de Paris het vonnis vernietigd en  geoordeeld dat het scheidsgerecht zich ten onrechte bevoegd had verklaard, op grond dat de vordering uitsluitend betrekking had op de verkoop van elektriciteit en dat er geen sprake was van een investering in de zin van het EHV. Komstroy heeft vervolgens een cassatieberoep ingesteld waarna de Cour de cassation het arrest van de Cour d’appel heeft vernietigd. De Cour de cassation heeft geoordeeld dat de bepalingen van het EHV niet specificeren welke criteria een investering kenmerken, maar slechts een niet-limitatieve opsomming geven van activa die als investeringen worden beschouwd en de zaak terugverwezen naar de Cour d’appel in een andere samenstelling. Moldavië betoogt dat de door Energoalians verworven vordering, die voortvloeit uit een contract voor de verkoop van elektriciteit, geen investering is in de zin van het EHV. Het verdrag verwijst naar de gewone betekenis van de term investering, die het bestaan van een inbreng vereist. Verder stelt Moldavië dat zelfs indien er een investering zou zijn gedaan, deze niet is gedaan door een onderneming van een verdragsluitende staat of op het Moldavische grondgebied. Volgens Moldavië bevat het EHV een territorialiteitscriterium, dat de bevoegdheid van het scheidsgerecht afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de investering is gedaan door een investeerder „op het grondgebied” van de staat van ontvangst. Zij voert aan dat er op het grondgebied van Moldavië geen investeringen zijn gedaan, aangezien de elektriciteit vóór de grens met Moldavië werd geleverd en Energoalians en Derimen geen economische activiteiten in de energiesector op Moldavisch grondgebied hebben verricht.

 

Overweging:

De Cour d’appel de Paris is van oordeel dat de uitkomst van het geding afhangt van de uitlegging van het begrip „investering” in de zin van artikel 1, punt 6, van het EHV en, indien nodig, van de term „investeringen doen” in de zin van artikel 1, punt 8, EHV. Wat de territorialiteit betreft, rijst volgens de Cour d’appel de vraag of de vordering, op grond van een contract voor de verkoop van elektriciteit, een investering kan vormen op het grondgebied van een andere verdragsluitende partij in de zin van artikel 26, lid 1, van het EHV, indien de houder van de vordering geen economische activiteit heeft uitgeoefend op het grondgebied van die verdragsluitende partij.De Cour d’appel oordeelt dat het EHV een gemengde overeenkomst is, gesloten door de Unie en de lidstaten met derden, en dat het Hof van Justitie krachtens artikel 267 VWEU bevoegd is om kennis te nemen van uitleggingsvraagstukken over dat verdrag.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 1, punt 6, van het Verdrag inzake het Energiehandvest aldus worden uitgelegd dat een vordering die voortvloeit uit een contract voor de verkoop van elektriciteit en die geen bijdrage van de investeerder in de staat van

ontvangst inhoudt, een ‚investering’ in de zin van dit artikel kan vormen?

2) Moet artikel 26, lid 1, van het Verdrag inzake het Energiehandvest aldus worden uitgelegd dat de verwerving door een investeerder van een verdragsluitende partij, van een vordering van een marktdeelnemer die niet afkomstig is uit een van de staten die partij zijn bij dat verdrag, een investering vormt?

3) Moet artikel 26, lid 1, van het Verdrag inzake het Energiehandvest aldus worden uitgelegd dat een vordering van een investeerder die voortvloeit uit een contract voor de verkoop van elektriciteit die aan de grens van de staat van ontvangst wordt geleverd, een investering kan vormen die op het grondgebied van een andere verdragsluitende partij wordt gedaan, wanneer de investeerder op het grondgebied van die andere verdragsluitende partij geen enkele economische activiteit heeft uitgeoefend?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-12/86), (C-414/11),

Specifiek beleidsterrein: EZK, BZ