C-743/18 Elme Messer Metalurgs

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 04 januari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 21 maart 2019

Trefwoorden: structuurfondsen; ESF

Onderwerp:

- Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad [van 11 juli 2006] houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999;


Feiten:

Verzoekster (Elme Messer Metalurgs) heeft een vordering tot ongeldigverklaring van de kennisgeving van de ontbinding van een overeenkomst ingesteld tegen het LIAA (investerings- en ontwikkelingsagentschap van Letland).

Op 07.04.2010 heeft het LIAA met Elme Messer Metalurgs een overeenkomst gesloten voor de uitvoering van een project (hierna: overeenkomst). Bij dat project was ook Liepājas Metalurgs betrokken. De overeenkomst voorzag in de cofinanciering door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (hierna: EFRO) van het project waarbij verzoekster voor de bouw van een productie-eenheid voor industriële gassen (zuurstof, stikstof) voor de fabriek Liepājas Metalurgs (hierna: fabriek) zou zorgen. In eerste instantie verliep het project naar wens. Op 03.01.2013 verstrekte verzoekster verweerder een eindverslag over het project, dat op 07.01.2013 werd voltooid, en verzocht zij om een eindbetaling uit hoofde van de overeenkomst. Toen Liepājas Metalurgs begin 2013 liquiditeitsproblemen kreeg, uitte verweerder zijn bezorgdheid over de eventuele onmogelijkheid om de overeenkomst uit te voeren – hetgeen een inbreuk op de overeenkomst zou vormen. Hij waarschuwde verzoekster dat hij waarschijnlijk de procedure voor de ontbinding van de overeenkomst zou initiëren. Op 12.11.2013 werd bekendgemaakt dat er een faillissementsprocedure tegen Liepājas Metalurgs was ingeleid. De fabriek werd overgenomen door KVV Liepājas Metalurgs, die de gasproductie-eenheid opnieuw opstartte, waarna verzoekster haar economische activiteit hervatte en dit ter kennis van verweerder bracht. Daarbij deelde zij verweerder mee hoe het bedrijf volgens haar zou kunnen worden geherstructureerd. Op 31.03.2016 stuurde verweerder verzoekster echter een brief waarin hij verwees naar de problematische situatie van de fabriek en verzoekster informeerde over de eenzijdige ontbinding van de overeenkomst omdat bij de uitvoering van het project ernstige onregelmatigheden waren vastgesteld, te weten substantiële afwijkingen van de door verzoekster in het bedrijfsplan gedane toezeggingen.

Volgens verzoekster is het eenzijdig ontbinden van de overeenkomst strijdig met het beginsel van goede trouw, omdat verzoekster de voorwaarden van de overeenkomst niet heeft geschonden en tevens vaststaat dat zij de financiële steun heeft gebruikt om de in het project voorziene activiteiten uit te voeren, zoals door verweerder zelf is erkend. Volgens verzoekster kan de financiële situatie van andere rechtspersonen, in dit geval Liepājas Metalurgs, niet worden geacht niet-nakoming van de overeenkomst door verzoekster op te leveren, aangezien het omstandigheden betreft waarop zij geen invloed kan uitoefenen. Daarbij komt dat de handelsactiviteit van verzoekster de facto volledig afhankelijk was van de activiteit van de fabriek Liepājas Metalurgs. Verweerder is van mening dat de situatie moet worden gezien als een onregelmatigheid in de zin van artikel 2.7 van de verordening.


Overweging:

De beslechting van het geschil hangt af van de vraag of er sprake is van een “onregelmatigheid” als gedefinieerd in artikel 2.7 van de verordening. De monitoringautoriteit heeft enkel in dat geval het recht om de steunverlening niet voort te zetten of uitbetaalde bedragen terug te vorderen overeenkomstig artikel 98(2) van de verordening. De verwijzende rechter gaat daarom over op het stellen van de prejudiciële vraag.


Prejudiciële vraag:

Moet artikel 2, punt 7, van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad aldus worden uitgelegd dat een situatie waarin de begunstigde van financiering de omzet die voor de relevante periode is bepaald niet kan realiseren omdat in die periode haar enige vennoot zijn handelsactiviteit heeft gestaakt of insolvabel is verklaard, dient te worden opgevat als een handeling of nalatigheid van een marktdeelnemer (de begunstigde van de financiering) waarbij de algemene begroting van de Europese Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-158/06 Stichting ROM-projecten/Staatssecretaris van Economische Zaken; Asociația Accept C-81/12;

Specifiek beleidsterrein: EZK; FIN

​​​​​​​