C-745/19 ЕUROBANK BULGARIA

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     13 december 2019
Schriftelijke opmerkingen:                     29 januari 2020

Trefwoorden : basisrentevoet, oneerlijke bedingen

Onderwerp :

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

 

Feiten:

Op 16-10-2007 sloten twee consumenten (verzoekers) met Eurobank Bulgaria (verweerster) een overeenkomst inzake een lening voor de bouw van een huis ter hoogte van 45 000 EUR, die in twee tranches zou worden uitbetaald en door middel van 252 gelijke maandtermijnen moest worden afgelost. Contractueel waren verzoekers een jaarlijks rentebedrag verschuldigd ter hoogte van de door verweerster voor deze soort leningen vastgestelde zogenaamde basisrentevoet (BRV). In de overeenkomst was uitdrukkelijk bepaald dat de BRV niet ter discussie stond en de wijzigingen ervan voor partijen met onmiddellijke ingang bindend waren. Vanaf 2014 hebben verzoekers additionele overeenkomsten gesloten voor het wijzigen van de leningsovereenkomst waarin het verschuldigde bedrag volgens de berekeningen van de bank is vastgesteld en bepaald dat het rentepercentage voortaan via een referentierentevoet zou worden berekend. Verzoekers stellen dat de door de bank gebruikte methode voor het bepalen van de rentepercentage oneerlijk was met als gevolg dat het gehele beding inzake de contractuele rente geen gevolgen heeft. Zij eisen de restitutie van de rente over de periode van 02-05-2012 tot 02-12-2014, die zij als onverschuldigd voldaan beschouwen. Verweerster stelt dat de bedingen het voorwerp zijn geweest van afzonderlijke onderhandelingen en dat zij niet oneerlijk zijn.

 

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter is er in de onderhavige zaak sprake van een conflict van twee erkende beginselen van het Unierecht. Enerzijds dient de rechter ingevolge artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de delen van de overeenkomst te handhaven waarop de oneerlijke bedingen geen betrekking hebben. Anderzijds volgt uit de arresten van het Hof dat de nationale rechter het formele evenwicht tussen de rechten van partijen dient te vervangen door een effectief evenwicht, door de consument te ontslaan van bedingen die hem benadelen. Zou de verwijzende rechter de heersende opvatting in de rechtspraak volgen en een vast rentepercentage voor de leningovereenkomst bepalen, dan zou hij in de plaats van de wil van partijen treden, wat op zichzelf kan worden uitgelegd als een benadeling van de consument. De vraag is dus beperkt tot het aangeven welke grenzen voor de vervanging van de wil van partijen volgens de beide genoemde beginselen toegestaan zijn. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter zich af of deze verplichting de consument te ontheffen van zijn binding aan het oorspronkelijk door hem aanvaarde, mogelijk oneerlijke beding wegvalt wanneer de consument na individuele onderhandelingen met de ondernemer, waarbij een geldige en werkzame overeenkomst zonder oneerlijke bedingen is gesloten, akkoord is gegaan met de werking ervan.

 

Prejudiciële vragen:

1) Mag de nationale rechter, indien blijkt dat een beding inzake de eenzijdige wijziging van het rentepercentage in een tussen een ondernemer en een consument gesloten overeenkomst tot geldlening oneerlijk is, ervan uitgaan dat de hoogte van de contractueel verschuldigde rente (in weerwil van hetgeen in de oorspronkelijke overeenkomst is overeengekomen) ten tijde van de uitbetaling van de lening is vastgelegd?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Mag de nationale rechter in geval van een oneerlijk beding op grond waarvan het contractueel overeengekomen variabele rentepercentage niet volgens een rechtmatige methode is vastgesteld, überhaupt rente toewijzen?

3) Welke gevolgen voor het antwoord op de eerste twee vragen heeft de omstandigheid dat de consument tijdens de lopende aflossing van de lening heeft ingestemd met de toepassing van een methode voor de vaststelling van het rentepercentage die geen oneerlijke bedingen bevat?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: С -618/10, C-488/11

Specifiek beleidsterrein: EZK, FIN