C-746/18 H.K.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 1 februari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 18 maart 2019

Trefwoorden: strafrecht, grondrechten van de EU, persoonsgegevens

Onderwerp:

- Handvest van de Europese Unie;

- Richtlijn 2002/58/EG van de Raad en het Europees Parlement van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie).


Feiten:

HK, verzoeker, is op 6 april 2017 door de Estse rechter in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf overeenkomstig het Estse wetboek van strafrecht. Bij het opsporingsonderzoek is door het Estse Openbaar Ministerie naar mogelijke strafbare feiten, gepleegd door HK, gebruik gemaakt van gegevens die in dit onderzoek door een Ests telecommunicatiebedrijf zijn verstrekt. Het gaat hier om het opvragen door het OM op basis van de Estse wet inzake telecommunicatie aan een exploitant van een exploitatiedienst van gegevens van de twee mobiele telefoonnummers (zoals berichten, persoonsgegevens, en de locatie van degene die belt, alsook van de afzender). HK wordt mede op basis van deze gegevens door de rechter in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens strafbare feiten op basis van het Estse wetboek van strafrecht. Tegen dit vonnis is HK in hoger beroep gedaan bij de rechter in tweede aanleg, die tot een soortgelijk vonnis komt als de rechter in eerste aanleg. De advocaat van HK heeft tegen het vonnis van de rechter in tweede aanleg beroep in cassatie ingesteld. De advocaat is van oordeel dat het verkregen bewijsmateriaal (gegevens telecommunicatiebedrijf) niet als bewijs kunnen dienen, en HK daarom ten onrechte is veroordeeld. De advocaat wijst hierbij op artikel 15(1) van richtlijn 2002/58/EG en het Handvest, die meer ruimte laten voor de privacy voor de burgers van de EU. Zo moeten o.m. de gegevens slechts worden verwerkt wanneer zij anoniem zijn gemaakt of wanneer de gebruikers daarvoor hun toestemming hebben gegeven.

De Estse wetgeving gaat echter verder dan genoemde EU-wetgeving en maakt het onder meer mogelijk de gegevens van bellers bij een telecommunicatie te onderzoeken, waarbij gegevens van de beller kunnen worden gegeven aan het O.M. (zoals naam en adres van de abonnee). HK is volgens zijn advocaat ten onrechte veroordeeld en vraagt de verwijzende rechter het vonnis van rechter in tweede aanleg te verwerpen.


Overweging:

Gekeken moet worden naar de relatie tussen de Estse wetgeving inzake elektronische middelen en richtlijn 2002/58/EG en het Handvest. Als sprake zou zijn dat HK is veroordeeld op basis van verkregen bewijs (gebaseerd op de genoemde Estse wet, maar in strijd met de betrokken bepalingen van richtlijn 2000/58/EG en het Handvest), primeert genoemde wetgeving en zou HK op ten onrechte verkregen bewijs zijn veroordeeld. De verwijzende rechter gaat daarom over op het stellen van de prejudiciële vragen.


Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 in het licht van de artikelen 7, 8, 11 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat in een strafprocedure de toegang van overheidsinstanties tot gegevens die het mogelijk maken om de plaats van verzending en ontvangst, de datum, het tijdstip en de duur, de aard van de communicatiedienst, de gebruikte eindapparatuur en de locatie van het gebruik van mobiele eindapparatuur met betrekking tot een communicatie per telefoon of mobiele telefoon van een verdachte vast te stellen, een dusdanig ernstige inmenging vormt in de grondrechten zoals gewaarborgd door de genoemde artikelen van het Handvest, dat deze toegang op het gebied van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten moet worden beperkt tot de bestrijding van zware criminaliteit, ongeacht de periode waarop de bewaarde gegevens waartoe de overheidsinstanties toegang hebben, betrekking hebben?

2. Dient artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG uitgaande van het in het arrest van het Hof van 2 oktober 2018 in zaak C-207/16, punten 55 tot en met 57, geformuleerde evenredigheidsbeginsel aldus te worden uitgelegd dat, als de hoeveelheid van de in de eerste vraag bedoelde gegevens waartoe de overheidsinstanties toegang hebben, (zowel naar de aard van de gegevens als ook gezien de betrokken periode) niet groot is, de daarmee gepaard gaande inmenging in de grondrechten in het algemeen gerechtvaardigd kan zijn door de doelstelling van het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten en dat, naarmate de hoeveelheid van de gegevens waartoe de overheidsinstanties toegang hebben groter is, de strafbare feiten die met behulp van de inmenging moeten worden bestreden des te ernstiger moeten zijn?

3. Betekent de in het arrest van het Hof van 21 december 2016 in de gevoegde zaken C-203/15 en C-698/15, dictum 2, genoemde eis dat de gegevenstoegang van de bevoegde overheidsinstanties is onderworpen aan een voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit, dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG aldus dient te worden uitgelegd dat het Openbaar Ministerie dat het opsporingsonderzoek leidt en daarbij krachtens de wet verplicht is tot onafhankelijk handelen en uitsluitend gebonden is aan de wet en in het kader van het opsporingsonderzoek zowel de voor de verdachte belastende alsook ontlastende omstandigheden onderzoekt, maar later in de gerechtelijke procedure optreedt als openbaar aanklager, kan worden beschouwd als onafhankelijke bestuurlijke autoriteit?


Aangehaalde recente jurisprudentie: Tele2 Sverige vs. Post-och Telestyreisen C-203/15 en C-698/15; Ministerio Fiscal C-207/16;

Specifiek beleidsterrein: JenV

​​​​​​​