C-759/18 OF

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 6 februari 2019

Schriftelijke opmerkingen: 23 maart 2019

Trefwoorden : familierecht, privaatrecht, bevoegdheden

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkentelijkheid en tenuitvoerlegging en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000.

 

Feiten:

Aan de orde is de vraag of op partijen (met het Roemeense staatsburgerschap), die al 15 jaar in Italië wonen en het door hen in Roemenië gesloten huwelijk willen ontbinden, daarop het Italiaanse huwelijksrecht van toepassing is, dan wel het Roemeense huwelijksrecht omdat partijen de Roemeense nationaliteit hebben. De partijen hebben de Roemeense rechter gevraagd het in 2000 in Roemenië gesloten huwelijk te ontbinden. Partijen, die het Roemeense staatsburgerschap bezitten, wonen al 15 jaar in Italië. In 2012 heeft een Italiaanse rechter al de scheiding van tafel en bed van partijen uitgesproken en daarbij ook aangegeven dat hun in 2001 geboren minderjarige zoon aan de moeder wordt toegewezen en dat de vader wordt verplicht tot het betalen van een onderhoudsbijdrage ten gunste van de minderjarige zoon. Partijen hebben in deze zaak geen schriftelijke overeenkomst overgelegd m.b.t. hun voorkeur voor de Roemeense rechter als bevoegde instantie om de echtscheidingsaanvraag te behandelen, en verzoeker heeft alleen haar woonadres in Roemenië opgegeven en niet haar verblijfplaats in Italië. De Roemeense rechter merkt op dat er veel echtscheidingszaken bij de rechtbanken in Roemenië aanhangig zijn gemaakt, terwijl hun gewone woonplaats in een andere lidstaat van de EU is.

 

Overweging:

De verwijzende rechter wil weten of hij zich, aangezien partijen geen overeenstemming hebben bereikt welke rechter bevoegd is, onbevoegd dient te verklaren om de zaak te behandelen en over dient te dragen aan een hogere rechter in Boekarest dan wel het verzoek moet afwijzen zijnde niet vallende onder de bevoegdheid van de Roemeense rechter. Mag de verwijzende rechter zich ook uitspreken over de uitoefening van het ouderlijk gezag m.b.t. de minderjarige, het vaststellen van zijn woonplaats en over het vaststellen van de bijdrage aan het onderhoud, terwijl partijen niet hebben ingestemd over het beslechten van deze kwesties? Vallen deze kwesties onder het begrip “ouderlijke verantwoordelijkheid” in de zin van verordening 2201/2003 (de gerechtelijke praktijk in Roemenië is niet eenduidig).

De verwijzende rechter stelt dat de communautaire wetgever niet de voorrang aan de nationaliteit van de partijen heeft willen geven, maar aan hun gewone verblijfplaats omdat op hun verblijfplaats (een deel van) de bewijsvoering eenvoudiger en sneller kan verlopen. De verwijzende rechter wil weten van het Hof of zijn zienswijze in overeenstemming is met artikel 3 van verordening 22001/2003, in het bijzonder lid 1 onder a en b.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2201/2003/EG aldus worden uitgelegd dat het feit dat verweerster niet de exceptie van internationale onbevoegdheid van de Roemeense rechter opwerpt bij de behandeling van een zaak die draait om „echtscheiding met minderjarig kind”, wordt gelijkgesteld aan haar stilzwijgende instemming dat de zaak zal worden behandeld door de rechter bij wie verzoeker de zaak aanhangig heeft gemaakt, wanneer partijen hun gewone verblijfplaats in een andere lidstaat [van de Europese Unie] (in dit geval Italië) hebben, terwijl de echtscheiding is aangevraagd bij de rechter in de lidstaat waarvan partijen het staatsburgerschap bezitten?

2) Moeten artikel 3, lid 1, en artikel 17 van verordening nr. 2201/2003/EG aldus worden uitgelegd dat de rechter ambtshalve de exceptie van internationale onbevoegdheid van de Roemeense gerechten moet/kan opwerpen bij de behandeling van een zaak die draait om „echtscheiding met minderjarig kind”,

wanneer partijen die hun vaste verblijfplaats in een andere lidstaat [van de Europese Unie] (in dit geval Italië) hebben, het niet eens zijn over de keuze van de bevoegde rechter (met als gevolg dat het verzoek wordt afgewezen als niet vallende onder de bevoegdheid van de Roemeense rechter), bij voorrang ten aanzien van de bepalingen van artikel 915, lid 2, van de Codul de procedură civilă (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), uit hoofde waarvan de exceptie van exclusieve territoriale onbevoegdheid van de Judecătorie Rădăuţi (rechter in eerste aanleg, Rădăuţi, Roemenië) kan worden opgeworpen (met als gevolg dat deze zich niet bevoegd verklaart om de zaak te beslechten en deze zal overdragen aan de Judecătorie Sectorului 5 București (rechter in eerste aanleg district 5, Boekarest, Roemenië) voor de inhoudelijke behandeling), vooral gezien het feit dat deze artikelen minder gunstig zijn dan het artikel in de nationale wetgeving (artikel 915, lid 2, van Codul de procedură civilă)?

3) Moet de in artikel 12, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003/EG gebezigde woordkeus, namelijk dat „de bevoegdheid van deze gerechten [...] op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt”, aldus worden uitgelegd dat wanneer partijen die hun vaste verblijfplaats in een andere lidstaat [van de Europese Unie] (in dit geval Italië) hebben, de bevoegde rechter vragen om een echtscheidingsverzoek te behandelen in het land waarvan ze het staatsburgerschap bezitten (de Judecătorie Rădăuţi, Roemenië), deze automatisch bevoegd wordt om ook te beslissen ten aanzien van de onderdelen van het verzoek aangaande „het uitoefenen van het ouderlijk gezag, de woning van de minderjarige en het vaststellen van de bijdrage van de ouders aan de kosten van het grootbrengen en opvoeden van het kind”?

4) Moet het begrip „ouderlijke verantwoordelijkheid” in artikel 2, punt 7, en artikel 12 van verordening nr. 2201/2003/EG aldus worden uitgelegd dat dit ook de volgende begrippen omvat: „ouderlijk gezag”, zoals bepaald in artikel 483 van de Codul civil (burgerlijk wetboek), „woning van het kind”, geregeld in artikel 400 van de Codul civil, en „bijdrage van de ouders aan de kosten van het grootbrengen en opvoeden van het kind”, geregeld in artikel 402 van de Codul civil?

Specifiek beleidsterrein: JenV

​​​​​​​