C-762/18 Varhoven kasatsionen sad na Republika Bulgaria

C-762/18 Varhoven kasatsionen sad na Republika Bulgaria

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 4 februari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 11 maart 2019

Trefwoorden: arbeidsrecht, niet-uitbetaling vakantiegeld tijdens periode ontslag

Onderwerp:

- Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd.


Feiten:

Verzoekster, QH, sinds 1 september 1985 werkzaam als muziekdocente aan een basisschool te Plovdiv, werd 29 april 2004 ontslagen. QH ging hiertegen in beroep bij de rechter in eerste aanleg en kon op grond van de toewijzing van het beroep weer gaan werken. Zij werd evenwel opnieuw ontslagen, waarbij QH dit keer het ontslag niet aanvocht. QH heeft bij de rechter in eerste aanleg wel uitbetaling van vakantiegeld gevraagd voor de tijd dat zij ontslagen was. Het verzoek van QH werd door de rechter in eerste aanleg afgewezen. Ook het beroep door QH bij de districtsrechter Plovdiv werd afgewezen. QH heeft vervolgens beroep in cassatie tegen de uitspraak van de districtsrechter ingesteld. De Bulgaarse cassatierechter is evenwel van oordeel dat het cassatieberoep moet worden afgewezen, omdat de vraag die voorligt –uitbetaling van vakantiegeld voor de tijd dat zij ontslagen was- al in de Bulgaarse rechtspraak is beslist. Daarin is bepaald dat voor de tijd dat een werknemer geen arbeidsprestatie heeft geleverd, geen recht heeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. QH is evenwel van mening dat het oordeel van de cassatierechter op gespannen voet staat met artikel 7 van richtlijn 2003/88 dat handelt over jaarlijkse vakantie. Bij de verwijzende rechter, de reeds genoemde rechter in eerste aanleg, vraagt QH om uitbetaling van loon over de periode dat zij ontslagen was, alsmede een vergoeding voor geleden immateriële schade. Volgens QH had de cassatierechter haar cassatieberoep moeten toewijzen.


Overweging

Een van de belangrijkste twistpunten in casu heeft betrekking op de vraag of een werknemer die onrechtmatig is ontslagen en wiens daarop volgende hervatting van werkzaamheden bij gerechtelijke beslissing is bevolen, recht heeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon vanaf de datum van het ontslag tot en met de datum van de hervatting van de werkzaamheden op deze positie. In het Bulgaarse recht ontbreekt een regeling die een uitdrukkelijk antwoord bevat op deze vraag en de bestaande wettelijke bepalingen voorzien niet in een duidelijke en ondubbelzinnige oplossing. Is het oordeel van de Bulgaarse cassatierechter dat voor de tijd dat een werknemer geen arbeidsprestatie heeft geleverd volgens Bulgaarse wetgeving en rechtspraak geen recht heeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, in strijd met artikel 7 van richtlijn 2003/88? De verwijzende rechter is van mening dat het oordeel van het Hof hierover moet worden gevraagd, en stelt prejudiciële vragen.


Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling en/of rechtspraak volgens welke een werknemer die onrechtmatig is ontslagen en met betrekking tot wie nadien de hervatting van zijn werkzaamheden gerechtelijk is bevolen, geen recht heeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor de periode vanaf de datum van ontslag tot en met de hervatting van de werkzaamheden?

2. Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88 aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling en/of rechtspraak volgens welke bij een nieuwe beëindiging van de arbeidsverhouding deze werknemer geen recht heeft op een financiële vergoeding voor niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor de periode vanaf de datum van het voorafgaande ontslag tot en met de hervatting van de werkzaamheden?


Aangevoerde (recente) jurisprudentie: Gevoegde zaken, C-350/06 en C-520/06, zaak C-282/10, C-337/10 en C-341/15.


Specifiek beleidsterrein: SZW

​​​​​​​