C-765/18 Stadtwerke Neuwied

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 05 januari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 22 maart 2019

Trefwoorden: aardgas; interne markt;

Onderwerp:

- Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG (hierna: aardgasrichtlijn);


Feiten:

Verzoekster (Stadtwerke Neuwied GmbH, gemeentelijk openbaar nutsbedrijf) levert verweerder (RI) sinds 28.07.2004 ten behoeve van een onroerend goed in Neuwied onder andere aardgas tegen Tarief 420. Partijen zijn het niet eens of het daarbij gaat om een overeengekomen bijzonder tarief of een basisleveringstarief. Zij twisten over de geldigheid van door verzoekster eenzijdig doorgevoerde gasprijsverhogingen. Verzoekster stelt dat er sprake is van betalingsachterstanden ter hoogte van €1.334,71. Verweerder heeft een vordering in reconventie ingediend. Hij eist dat wordt vastgesteld dat de door verzoekster (op verscheidene data) vastgestelde prijzen onredelijk en ongeldig zijn. In de tweede plaats eist verweerder dat wordt vastgesteld dat de door verzoekster in een brief van 24.01.2012 berekende termijnbedragen (€98,-) onredelijk en ongeldig zijn. In de derde plaats eist hij dat wordt vastgesteld dat verzoeksters eindafrekeningen van 2005 t/m 2012 met betrekking tot het gasverbruik onredelijk en ongeldig zijn. Ten slotte eist verweerder dat wordt vastgesteld dat hij op grond van het contract met verzoekster recht heeft op terugbetaling in verband met het gasverbruik in de leveringsperiode van 01.01.2005 t/m 31.12.2011. Verzoekster is basisleverancier in de zin van de wet inzake de elektriciteits- en gasvoorziening (EnwG). Verzoekster maakt haar algemene tarieven/prijzen, met inbegrip van het onderhavig litigieuze Tarief 420, en contractaanpassingen op haar website bekend. Rechtstreekse informatie van de afnemers aangaande prijswijzigingen vond daarentegen niet plaats. Verzoekster is van mening dat verweerder het gas niet afneemt tegen een bijzonder tarief, maar dat het een algemeen tarief betreft. Zij stelt dat zij alleen de wijzigingen van de leveringskosten heeft doorberekend aan haar afnemers waarbij zij rekening heeft gehouden met besparingen op andere terreinen van de gassector. Verweerder stelt dat verzoekster geen recht heeft op prijsaanpassingen en dat het verlangde tarief per kWh onredelijk is. Het tussen partijen overeengekomen contract moet worden gekwalificeerd als een bijzonder contract, aangezien de met verweerder afgerekende gasprijs naar beneden afwijkt van verzoeksters algemene en voor iedereen geldende tarief omdat hij een bepaalde minimumhoeveelheid gas per jaar afneemt.


Overweging:

Of de vordering en de vordering in reconventie worden toegewezen, hangt af van de uitlegging van artikel 3(3) juncto bijlage A, onder b) en c), van de aardgasrichtlijn. Voor een beslissing betreffende de vordering en de vordering in reconventie schorst de verwijzende rechter de procedure om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing.


Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 3, lid 3, juncto bijlage A, onder b) en c), van richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG [(PB 2003, L 176, blz. 57)] aldus worden uitgelegd dat de uitgebleven tijdige en rechtstreekse informatie van de afnemers van gas aangaande de voorwaarden, aanleiding en omvang van een ophanden zijnde tariefwijziging voor de levering van gas, in de weg staat aan de geldigheid van een dergelijke tariefwijziging?

2. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord: Is artikel 3, lid 3, juncto bijlage A, onder b) en c), van richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG sedert 1 juli 2004 rechtstreeks van toepassing op een privaatrechtelijk (in de vorm van een Duitse GmbH) georganiseerd leveringsbedrijf, aangezien de genoemde bepalingen van deze richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk zijn en dus zonder verdere omzettingshandeling kunnen worden toegepast, en de burger rechten verlenen ten aanzien van een organisatie die, ondanks haar privaatrechtelijke rechtsvorm, onder gezag van de staat staat omdat deze de enige aandeelhouder van de onderneming is?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: 41/74; 148/78; 8/81; 152/84; 103/88; C-397/01–C-403/01; C-188/89; C-253/96–C-258/96.

Specifiek beleidsterrein: EZK




​​​​​​​