C-773/18 Land Sachsen-Anhalt e.a.

Prejudiciële hofzaak  


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 13 februari 2019

Schriftelijke opmerkingen: 30 maart 2019

Trefwoorden : ambtenaren; arbeidsrecht; discriminatie

Onderwerp :

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

- Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

 

Feiten:

Verzoekster is als rechter in dienst bij verweerder (Land Sachsen-Anhalt). Haar bezoldiging werd bij aanstelling vastgesteld op basis van haar leeftijd. Bij arrest van 08.09.2011 (C-297/10 en C-298/10) oordeelde het Hof dat het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd zich verzet tegen een maatregel in een cao op grond waarvan de basissalaristrap bij aanstelling wordt bepaald op basis van leeftijd. Volgens het Duitse Ministerie van Binnenlandse Zaken en verweerder kon het arrest echter niet worden toegepast op ambtenaren. De bestuursrechters waren in hun rechtspraak ten aanzien van dit vraagstuk verdeeld, maar oordeelden in meerderheid dat er geen sprake was van discriminatie op grond van leeftijd. Verzoekster maakte op 16.12.2013 bezwaar tegen haar bezoldiging vanaf 2010 en stelde dat bezoldiging op basis van leeftijdstrappen in strijd is met het verbod van discriminatie op grond van leeftijd. Bij de arresten C-501/12 JT en C-20/13 werd vastgesteld dat artikel 3(1)c) van richtlijn 2000/78 ook moet worden toegepast op ambtenaren en rechters. Nadat het Duits federaal grondwettelijk hof bij arrest van 05.05.2015 had geoordeeld dat de bezoldiging voor rechters van de deelstaat Sachsen-Anhalt beneden het door de grondwet voorgeschreven minimum lag, werd in §23b BesVersEG LSA (aanvullende wet betreffende bezoldigingen en pensioenen van de deelstaat Sachsen-Anhalt) voor de periode van 01.01.2008 t/m 31.12.2014 voorzien in een nabetaling (ook voor verzoekster). Bij beschikking van 24.03.2016 werd haar bezwaar van 16.12.2013 afgewezen. Daarbij werd erkend dat de bezoldiging van verzoekster discriminerend op grond van leeftijd was, maar dat zij te laat was met haar vordering voor schadevergoeding (termijn van twee maanden na het arrest C-297/10 en C-298/10 (08.09.2011)) krachtens §15(4) AGG (Duitse algemene wet inzake gelijke behandeling). Verzoekster heeft vervolgens op 18.04.2016 beroep ingesteld, waarin een billijke schadevergoeding vordert.

 

Overweging:

Bij wet van 08.12.2016 werd §23b BesVersEG LSA in die zin gewijzigd dat de bezoldiging voor de jaren 2008 tot en met 2014 met nog eens 0,1 % procent per jaar werd verhoogd. In de gerechtelijke procedure is vastgesteld dat bij verweerder 10.667 klachten zijn ingediend wegens op grond van leeftijd discriminerende bezoldiging. Daarvan zijn er 7.071 afgewezen, waarvan 6.516 met de motivering dat de termijn van §15(4) AGG niet in acht was genomen. De rechtssituatie was voorheen onduidelijk en is door verscheidene arresten van het Hof verduidelijkt. De verwijzende rechter kan uit de huidige rechtspraak echter nog niet afleiden of een latere procentuele verhoging opnieuw een discriminerende maatregel in, aangezien het verschil tussen gediscrimineerden en niet-gediscrimineerden in relatieve zin niet verandert? De verwijzende rechter gaat over op het stellen van de prejudiciële vragen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Is een latere procentuele verhoging binnen een op grond van leeftijd discriminerend bezoldigingsstelsel opnieuw een discriminerende maatregel, indien het verhogingspercentage voor alle trappen van een salarisgroep hetzelfde is, waardoor het verschil tussen gediscrimineerden en nietgediscrimineerden in absolute zin weliswaar verandert, maar niet in relatieve zin?

2) Indien op de eerste vraag bevestigend moet worden geantwoord, is een dergelijke procentuele verhoging voor alle leeftijdstrappen gerechtvaardigd, wanneer de verhoging voortvloeit uit het feit dat de oorspronkelijke bezoldiging beneden een door de grondwet van de lidstaat vastgelegd minimum ligt?

3) Staat het Europees recht, met name artikel 9 van richtlijn 2000/78/EG, in de weg aan een regeling volgens welke een recht op schadevergoeding wegens een op grond van leeftijd discriminerende bezoldiging na twee maanden vervalt, wanneer

– de termijn begint te lopen vanaf de uitspraak van het arrest van 8 september 2011, C-297/10 en C-298/10, ECLI:EU:C:2011:560 (Hennigs en Mai), hoewel de betrokkene niet onder de federale ambtenaren-cao (Bundesangestelltentarifvertrag) valt, maar zijn persoonlijke situatie overeenkomt met die in het arrest van 9 september 2015, C-20/13, ECLI:EU:C:2015:561 (Unland),

– de betrokken ambtenaren en rechters (werknemers) alleen uit algemene openbare bronnen kennis kunnen nemen van het voornoemde arrest,

– de publiekrechtelijke werkgevers (werkgevers) na de uitspraak van het voornoemde arrest een toepassing ervan op ambtenaren van de hand hebben gewezen en daarbij hebben betwist dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie, waarbij deze opvatting ten minste gedeeltelijk ook extern bekend is gemaakt,

– de bestuursrechters in eerste aanleg in hun rechtspraak binnen de genoemde termijn en ook in de periode daarna tot de uitspraak van het arrest van 19 juni 2014, C-501/12 tot en met C-506/12, C-540/12 en C-541/12, ECLI:EU:C:2014:2005 (Specht) in meerderheid hebben geoordeeld dat er geen sprake is van discriminatie op grond van leeftijd,

– rechtspraak door hogere rechterlijke instanties gedurende de genoemde termijn niet bestond en de eerste uitspraak door de hoogste rechterlijke instantie pas is gedaan na het arrest Specht,

– in een dienstbetrekking als ambtenaar of rechter (dienstverband) vervaltermijnen alleen gelden voor de vergoeding van bijzondere kosten en dergelijke termijnen niet korter zijn dan zes maanden,

– rechten op bezoldiging (beloning) onderworpen zijn aan een verjaringstermijn van drie jaar, die ingaat op het einde van het jaar waarin het recht opeisbaar is geworden en de begunstigde zijn recht kent of zou moeten kennen, en anders een verjaringstermijn van tien jaar geldt,

– nationale rechten op bezoldiging (beloning) die niet wettelijk zijn vastgelegd, op korte termijn, dat wil zeggen binnen het begrotingsjaar waarvoor zij worden gevorderd, moeten worden uitgeoefend?

4) Maakt het voor het antwoord op de derde vraag verschil of de rechtssituatie onduidelijk of ondoorzichtig is?

5) Begint een vervaltermijn te lopen zodra de benadeelde groep personen op de hoogte is van het verschil in behandeling, of moet daarvoor ook de reden voor de verschillende behandeling, dus het onderscheidingscriterium bekend zijn?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-246/09; C-297/10 en C-298/10; C-501/12 tot en met C-506/12, C-540/12 en C-541/12; C-20/13;

Specifiek beleidsterrein: SZW; JenV; BZK

​​​​​​​