C-775/19 5th AVENUE Products Trading

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     19 december 2019
Schriftelijke opmerkingen:                     5 februari 2020

Trefwoorden : douanewaarde, transactiewaarde, licentierechten

Onderwerp :

•          Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.

•          Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

•          Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

•          Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (WTO-overeenkomst inzake de douanewaarde 1994)

 

Feiten:

Verzoeksters onderneming houdt zich bezig met de (groot)handel in onder meer havannasigaren. Verzoekster koopt de Cubaanse sigaren van Habanos S.A., de Cubaanse staatsonderneming voor de export van sigaren. Op 31-01-2012 sloten verzoekster en Habanos S.A. een als „Exclusive Distribution Agreement” (EDA) aangeduide overeenkomst, volgens welke verzoekster zowel voor de Duitse als de Oostenrijkse markt het alleenrecht tot distributie van sigaren van Habanos S.A. had. In ruil voor de verlening van het alleenrecht tot distributie in Oostenrijk verbond verzoekster er zich toe om gedurende vier jaar, jaarlijks, aan Habanos S.A een als „compensation” aangeduide vergoeding ten belope van 25 % van haar verkoopopbrengst in Oostenrijk te betalen. Deze werd jaarlijks door haar betaald zoals overeengekomen. Verzoekster handelde de invoer van de Cubaanse sigaren in beginsel af via het douane-entrepot van type D, waarvoor haar een vergunning was verleend. Het entrepot bevindt zich in Waldshut-Tiengen, Duitsland, waar verzoekster haar zetel heeft gevestigd. Bij de plaatsing van de door Habanos S.A. geleverde sigaren onder het stelsel van haar douane-entrepot van type D heeft verzoekster ten behoeve van de vaststelling van de douanewaarde aangifte gedaan van de werkelijk betaalde aankoopprijzen, toeslagen niet inbegrepen, zonder daarbij evenwel de als „compensation” aangeduide betalingen in aanmerking te nemen. Op het tijdstip van de plaatsing onder het stelsel van het douane-entrepot stond namelijk nog niet vast welke sigaren in Duitsland, dan wel in Oostenrijk zouden worden verkocht. Na een douanecontrole ten kantore van verzoekster was de controleur van mening dat de als „compensation” aangeduide vergoeding een apart bestanddeel van de koopprijs betrof dat bij de vaststelling van de douanewaarde in aanmerking moet worden genomen. Verweerster sloot zich aan bij het standpunt van de controleur en vestigde verschillende aanslagen houdende vaststelling van rechten bij invoer, waaronder de in casu enige bestreden aanslag van 28-08-2015, die een naheffing van invoerrechten betrof. Met haar beroep komt verzoekster op tegen de naar haar mening onterechte toevoeging van de als „compensation” aangeduide betalingen aan de douanewaarde van de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald.

 

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter staat in het onderhavige geding de vraag centraal of alleen de door verzoekster betaalde koopprijs voor de uit een derde land ingevoerde goederen als transactiewaarde moet worden beschouwd - in welk geval het beroep moet worden toegewezen -, dan wel of daarnaast ook de als „compensation” aangeduide betalingen van verzoekster naar rato van de omvang van haar verkoopopbrengst uit leveringen aan Oostenrijk aan de douanewaarde moeten worden toegevoegd - in welk geval het beroep moet worden afgewezen. Aangezien de „compensation” moet worden betaald voor het gebruik van rechten in verband met het gebruik of de wederverkoop van de ingevoerde goederen, is veeleer sprake van royalty’s en licentierechten. Zulke royalty’s of licentierechten moeten worden toegevoegd aan de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen koopprijs wanneer bepaalde voorwaarden zijn vervuld. De verwijzende rechter twijfelt of aan de tweede voorwaarde is voldaan welke inhoudt dat royalty’s en licentierechten betrekking moeten hebben op goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald. De verwijzende rechter stelt dat het niet zeker is of de betalingen verband houden met de goederen aangezien verzoekster de „compensation” moest betalen omdat zij als enige de havannasigaren in Oostenrijk mocht verkopen en Habanos S.A. dus niet aan andere afnemers leverde. Voor het geval dat vergoedingen die uitsluitend dienen te worden betaald om gebiedsbescherming te verkrijgen niet hoeven te worden toegevoegd aan de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, rijst de vraag of deze royalty’s en/of licentierechten in hun geheel moeten worden toegevoegd aan de koopprijs voor de ingevoerde goederen, dan wel of zij moeten worden opgesplitst in een aan de koopprijs toe te voegen deel en een voor de vaststelling van de douanewaarde irrelevant deel. 

 

Prejudiciële vragen:

1) Betreffen betalingen die de koper van een goed gedurende vier jaar, eens per jaar, naargelang van zijn verkoopopbrengst bovenop de betaling van de koopprijs verricht om dat goed

– in een bepaald gebied,

– in alle opzichten voor het eerst,

– als enige en

– over een lange periode

te mogen verkopen, royalty’s en licentierechten in de zin van artikel 32, lid 1, onder c), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (CDW), die volgens artikel 32, lid 5, onder b), CDW juncto artikel 157, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek (CDW-UVO) moeten worden toegevoegd aan de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs?

2) Mogen zulke vergoedingen in voorkomend geval slechts pro rata worden toegevoegd aan de voor de ingevoerde goederen betaalde of te betalen prijs, en zo ja, volgens welk criterium?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: GE Healthcare (C-173/15)

Specifiek beleidsterrein: FIN