C-776/19 – 782/19 BNP Paribas Personal Finance e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak (van C-776/19, overigen komen overeen), en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     17 december 2019
Schriftelijke opmerkingen:                     3 februari 2020

Trefwoorden : oneerlijke bedingen; wisselkoersrisico

Onderwerp :

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

 

Feiten:

Verzoekers, VB en WA, zijn voor de aankoop van een verhuurappartement bij verweerder, de vennootschap BNP Paribas Personal Finance, een eerste vastgoedlening ter hoogte van 425 525,61 Zwitserse frank aangegaan, met een aanvankelijke looptijd van 25 jaar. De aflossing van de lening was afhankelijk van de ontwikkeling van de koers van de euro ten opzichte van de Zwitserse frank en in de overeenkomst was bepaald dat indien de wisseltransactie tot een lager bedrag dan de termijnaflossing in Zwitserse frank zou leiden, de aflossing „minder snel” zou verlopen en het eventuele niet-afgeloste deel van het kapitaal in het debetsaldo zou worden opgenomen. De rentevoet, die aanvankelijk op 4,1 % was vastgesteld, werd om de vijf jaar herzien op basis van een formule met een vast deel van 2,25 en een deel dat gelijk was aan het maandgemiddelde van de vijfjaarlijkse swaprente voor Zwitserse frank in de voorgaande kalendermaand. Bij de overeenkomst waren twee simulaties gevoegd. De eerste simulatie had betrekking op de gevolgen van een verhoging of een verlaging met 2 procentpunten van de rentevoet vanaf de 61-ste aflossingstermijn voor het bedrag van de betalingen, de duur, en de totale kosten van de lening, en in de tweede simulatie werden schommelingen van diezelfde gegevens in het geval van een waardevermeerdering van de euro ten opzichte van de Zwitserse frank en van een waardevermindering van de euro gesimuleerd. Na een gerechtelijk vooronderzoek werd BNP Paribas op 29-08-2017 vanwege misleidende handelspraktijken voor de rechter in eerste aanleg gedaagd. Bij gerechtsdeurwaarderexploot van 22-02-2018 hebben VB en WA BNP Paribas voor deze rechter gedaagd, waarbij zij met name aanvoeren dat de bedingen inzake het financiële mechanisme van de leningsovereenkomst oneerlijk zijn. Verweerder stelt dat de verzoeken van de kredietnemers kennelijk verjaard zijn en dat derhalve geen prejudiciële vragen hoeven te worden gesteld.

 

Overweging:

De eerste vraag van de verwijzende rechter betreft de verenigbaarheid van een verjaringstermijn met het beginsel van doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht, wanneer de verzoeker een consument is. Uit een aantal beslissingen van het Hof komt naar voren dat het bestaan van een verjaringstermijn op zich niet in strijd is met het gemeenschapsrecht. Niettemin wordt zowel in het arrest Cofidis als in het arrest Naranjo van de Grote kamer benadrukt dat dergelijke termijnen problemen kunnen opleveren voor een consument die niet goed op de hoogte is van zijn rechten, niet alleen vanuit het oogpunt van de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht, maar ook van het in de richtlijn neergelegde beginsel dat consumenten niet door oneerlijke bedingen kunnen worden gebonden. Indien verjaring van toepassing is, rijst de vraag wanneer deze is ingegaan, met name in het licht van de door BNP Paribas aangevoerde beslissingen waarbij de datum van ondertekening van de overeenkomst als ingangsdatum is vastgesteld. Aangezien het in de onderhavige zaak gaat over een overeenkomst waarin de termijnen in de nationale valuta moeten worden afgelost vraagt de verwijzende rechter zich af of het arrest Kásler, volgens welke het beding geen deel uit lijkt te maken van het “eigenlijke voorwerp” van de overeenkomst, moet worden gevolgd of dat er juist van uit moet worden gegaan dat de bedingen inzake het wisselkoersrisico net als in de zaken OTP en Dunai louter vanwege dit feit tot het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst behoren. Verder wenst de verwijzende rechter te vernemen wanneer er sprake is van een duidelijke en begrijpelijke uitlegging van het beding aangezien uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het bestaan van een wisselkoersrisico en de gevolgen daarvan niet alleen uit de vermeldingen in de overeenkomst en de documentatie moeten worden afgeleid, wat de hoogste rechter van Frankrijk toereikend lijkt te hebben geacht, maar ook uitdrukkelijk moeten worden vermeld. Daarnaast rijst de vraag wat het effect is van de simulaties die in bepaalde zaken bij de aanbieding zijn gevoegd. De zesde vraag betreft de bewijslast, aangezien de mededeling van bepaalde informatie die van invloed kan zijn op de „duidelijke en begrijpelijke” formulering van de litigieuze bedingen wordt betwist. De verwijzende rechter vraagt zich ook af hoe het zit met de bewijskracht van de elementen met betrekking tot de verkooptechnieken aangezien het in een civiele zaak zeer moeilijk of zelfs onmogelijk is dergelijke bewijzen te overleggen. Ten slotte twijfelt de verwijzende rechter of er sprake is van een evenwichtsverstoring wanneer beide partijen een wisselkoersrisico lopen maar wanneer de verkoper over betere middelen beschikt om te anticiperen op het risico.

 

Prejudiciële vragen:

1) Verzet richtlijn 93/13, uitgelegd in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, zich in een zaak als in het hoofdgeding tegen toepassing van de verjaringsregels in de volgende gevallen: (a) bij de vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding, (b) bij eventuele terugbetalingen, (c) wanneer de consument de verzoeker is en (d) wanneer de consument de verweerder is, ook bij een tegenvordering?

2) Indien de eerste vraag geheel of ten dele ontkennend wordt beantwoord, verzet richtlijn 93/13, uitgelegd in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, zich dan in een geval als in het hoofdgeding tegen toepassing van nationale rechtspraak waarin is verklaard dat de verjaringstermijn ingaat op de datum van aanvaarding van de aanbieding van de lening, in plaats van op de datum waarop ernstige financiële problemen zijn ontstaan?

3) Vallen bedingen als aan de orde in het hoofdgeding, waarin in het bijzonder is vastgelegd dat de Zwitserse frank de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, wat tot gevolg heeft dat het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, onder het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, in de zin van artikel 4, [lid] 2, van richtlijn 93/13, wanneer het bedrag van de wisselkosten niet wordt betwist en er bedingen zijn opgenomen waarin is bepaald dat de kredietnemer er op gezette tijden voor kan kiezen de lening volgens een vooraf vastgestelde formule in euro om te zetten?

4) Verzet richtlijn 93/13, uitgelegd in het licht van het beginsel van doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht, zich tegen nationale rechtspraak op grond waarvan een beding of een geheel van bedingen als in het hoofdgeding op de volgende gronden „duidelijk en begrijpelijk” in de zin van de richtlijn wordt geacht:

- in de voorafgaande aanbieding van de lening worden de wisseltransacties die tijdens de looptijd van de lening worden verricht, gedetailleerd uiteengezet en wordt verduidelijkt dat op wisseltransacties tussen de euro en de Zwitserse frank de wisselkoers wordt toegepast die twee werkdagen vóór de datum van de gebeurtenis op basis waarvan de transactie wordt verricht, is vastgesteld, en op de website van de Europese Centrale Bank wordt gepubliceerd;

- in de aanbieding staat vermeld dat de kredietnemer de voor de werking en aflossing van het krediet noodzakelijke wisseltransacties van Zwitserse frank naar euro en van euro naar Zwitserse frank aanvaardt, en dat de kredietverlener het saldo van de maandelijkse aflossingen in euro na betaling van de extra kosten van de lening in Zwitserse frank omzet;

- in de aanbieding is aangegeven dat, indien de wisseltransactie in een bedrag resulteert dat lager is dan de verschuldigde termijnaflossing in Zwitserse frank, het kapitaal minder snel wordt afgelost, elk deel van het kapitaal dat niet uit hoofde van een termijnbetaling is afgelost in het debetsaldo van de rekening in Zwitserse frank wordt opgenomen, en wordt verduidelijkt dat de kapitaalaflossing van de lening zal veranderen naargelang van de  schommelingen van de wisselkoers die op de maandelijkse aflossingen wordt toegepast, zowel naar boven als naar beneden, en dat deze verandering tot een langere of kortere aflossingstermijn voor de lening en, in voorkomend geval, tot een wijziging van de totale aflossingskosten kan leiden; - in de artikelen „interne rekening in euro” en „interne rekening in Zwitserse frank” wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de transacties die bij elke termijnbetaling worden verricht met de af- en bijschrijvingen per rekening, en in de overeenkomst wordt de concrete werking van het mechanisme voor omrekening van de vreemde valuta op transparante wijze uiteengezet; en in de aanbieding wordt met name het „wisselkoersrisico”, dat op de kredietnemer rust aangezien er geen inkomsten in de rekenmunt worden ontvangen, niet uitdrukkelijk vermeld, evenmin als het „renterisico”?

5) Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord, verzet richtlijn 93/13, uitgelegd in het licht van het beginsel van doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht, zich dan tegen nationale rechtspraak waarin wordt verklaard dat een beding of een geheel van bedingen als in het hoofdgeding „duidelijk en begrijpelijk” is in de zin van de richtlijn, wanneer in een overeenkomst met een aanvankelijke looptijd van 25 jaar, naast de in de vierde vraag genoemde elementen, enkel een simulatie is opgenomen van een daling van 5,29 % van de betaalmunt ten opzichte van de rekenmunt, en daarin verder geen termen als „risico” of „moeilijkheid” voorkomen?

6) Rust de bewijslast voor de „duidelijke en begrijpelijke” formulering van een beding in de zin van richtlijn 93/13, met inbegrip van de omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, op de verkoper of op de consument? [Or. 25]

7) Indien de bewijslast voor de duidelijkheid en begrijpelijkheid van de formulering van het beding op de verkoper rust, verzet richtlijn 93/13 zich dan tegen nationale rechtspraak waarin wordt verklaard dat het, wanneer sprake is van documenten betreffende verkooptechnieken, aan de kredietnemers staat om ten eerste te bewijzen dat zij de in die documenten vervatte informatie hebben ontvangen, en ten tweede dat de bank die documenten aan hen heeft doen toekomen, of vereist deze richtlijn daarentegen dat deze elementen een vermoeden opleveren dat de in deze documenten vervatte informatie, ook mondeling, aan de kredietnemers is verstrekt, welk vermoeden de verkoper, die verantwoordelijk is voor de informatie die de door hem gekozen tussenpersonen verstrekken, moet weerleggen? [Or. 26]

8) Kan er sprake zijn van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in een overeenkomst als die in het hoofdgeding, waarin beide partijen een wisselkoersrisico lopen, wanneer ten eerste de verkoper over betere middelen dan de consument beschikt om te anticiperen op het wisselkoersrisico en, ten tweede, het door de verkoper gedragen risico aan een bovengrens is gebonden, terwijl dit laatste bij de consument niet het geval is?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (20 september 2017 (C-186/16), (C-243/08), (C-377/14), (C-473/00), (C-26/13), (C-51/17), (C-449/13), (C-8/14), (C-118/17)

Specifiek beleidsterrein: EZK, FIN