C-783/19 Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     6 januari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     23 februari 2020

Trefwoorden : oorsprongsbenaming; landbouwproducten

Onderwerp :

•          Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten.

•          Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten

 

Feiten:

Het Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne (CIVC), een brancheorganisatie van champagneproducten, heeft hoger beroep ingesteld bij de bevoegde Spaanse rechter in tweede aanleg. Zowel de procedure in eerste aanleg als het hoger beroep zien op de vaststelling van de omvang van de bescherming van de oorsprongsbenaming Champagne tegen het gebruik door GB van de handelsnaam en het embleem „Champanillo” waarmee bepaalde bedrijfsruimten voor horecadoeleinden in het economisch verkeer worden aangeduid. Het CIVC heeft de rechter gevorderd het gebruik van het embleem „Champanillo” te staken omdat het een inbreuk vormt op de oorsprongsbenaming Champagne. De verwerende partij verzette zich met het argument dat zij de term „Champanillo” of „el Champanillo” gebruikte als handelsnaam voor een horecaetablissement, zonder dat er enig gevaar bestond voor verwarring met producten die onder de bescherming van de oorsprongsbenaming Champagne vallen en zonder op enigerlei wijze profijt te halen uit de reputatie van deze oorsprongsbenaming. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen met als motivering dat het product waarvoor het embleem ‚Champanillo’ wordt gebruikt, geen wijn of alcoholhoudende drank is, maar een tapasbar of een restaurant, ten aanzien waarvan niet is vastgesteld dat er ‚champagne’ wordt verhandeld, en het doelpubliek van het betrokken product dusdanig verschilt van dat van de producten die worden beschermd door de benaming ‚Champagne.’

 

Overweging:

In het algemeen kan worden vastgesteld dat in hoger beroep de vraag aan de orde is of de eigenaar van een horeca-etablissement gebruik mag maken van een naam die een voorstelling van een beschermde oorsprongsbenaming voor een product kan oproepen. De verwijzende rechter twijfelt over de werkingssfeer en de uitlegging van het Unierecht, welke twijfels in het algemeen betrekking hebben op de omvang van de bescherming van oorsprongsbenamingen als regeling die vergelijkbaar is met die ter bescherming van andere industriële-eigendomsrechten. De verwijzende rechter legt het Hof vragen voor in verband met de uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 510/2006 en van artikel 103 van verordening nr. 1308/2013.

 

Prejudiciële vragen:

1) Maakt de omvang van de bescherming van [OMISSIS] een oorsprongsbenaming het mogelijk om haar niet alleen te beschermen tegen soortgelijke producten, maar ook tegen diensten die kunnen gepaard gaan met de rechtstreekse of indirecte distributie van die producten?

2) Vereist het gevaar van een inbreuk wegens het oproepen van een voorstelling, waarnaar voormelde artikelen  van de gemeenschapsverordeningen verwijzen, dat in eerste instantie een analyse van de gebruikte naam wordt verricht [OMISSIS] om het effect ervan op de gemiddelde consument te bepalen, of moet eerst en vooral [OMISSIS] ten aanzien van dat gevaar van een inbreuk wegens het oproepen van een voorstelling worden bepaald of het om dezelfde producten, soortgelijke producten of complexe producten gaat, waarvan een van de componenten een door een oorsprongsbenaming beschermd product is?

3) Wanneer de namen volstrekt identiek zijn of in ruime mate met elkaar overeenstemmen, moet het gevaar van een inbreuk wegens het oproepen van een voorstelling dan worden omschreven aan de hand van objectieve parameters, of moet dat gevaar worden beoordeeld op basis van de producten en diensten die een voorstelling oproepen en die waarvan een voorstelling wordt opgeroepen, om tot de conclusie te komen dat het gevaar dat een voorstelling wordt opgeroepen, gering of irrelevant is?

4) Is de bescherming waarin de aangehaalde regeling voorziet in gevallen waarin het gevaar bestaat dat een voorstelling wordt opgeroepen of dat er profijt wordt gehaald [uit een reputatie], een specifieke bescherming die eigen is aan de specifieke kenmerken van die producten, of moet de bescherming noodzakelijkerwijs in verband worden gebracht met de voorschriften inzake oneerlijke concurrentie?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK, LNV