C-785/19

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     16 december 2019
Schriftelijke opmerkingen:                     2 februari 2020

Trefwoorden : advocatenkosten, auteursrechtelijke inbreuk, schadevergoeding

Onderwerp :

•          Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

•          Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij

•          Richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's

 

Feiten:

Verzoekster verkoopt computerspellen voor commerciële doeleinden. Verweerster is een natuurlijke persoon die geen professionele of commerciële doeleinden nastreeft. Verzoekster is, op het grondgebied van Duitsland, houdster van de exclusieve naburige rechten op de beschikbaarstelling van een professioneel ontwikkeld computerspel aan het publiek. In december 2013 en in januari 2014 heeft verweerster dit computerspel via haar internetaansluiting op een online platform voor filesharing geplaatst en voor het publiek beschikbaar gesteld voor download. Door deze files uit te wisselen heeft zij inbreuk gepleegd op de rechten van verzoekster. Verzoekster heeft vervolgens een advocatenkantoor ingeschakeld welke namens haar een aanmaning naar verweerster heeft gestuurd. Daarin werd verweerster onder meer gesommeerd om zich in een onthoudingsverklaring met boetebeding ertoe te verbinden om het computerspel niet langer voor het publiek beschikbaar te stellen en een schadevergoeding te betalen. In de daaropvolgende gerechtelijke procedure tot invordering is enkel nog over de hoogte van de vergoedbare advocatenkosten gedebatteerd. De Duitse rechter in eerste aanleg heeft verweerster veroordeeld tot betaling van 124 EUR, vermeerderd met rente, en de vordering voor het overige afgewezen met als motivering dat het vergoedbare bedrag van een vordering in bepaalde gevallen is beperkt tot 1 000 EUR, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Met haar beroep voor de verwijzende rechter wil verzoekster haar vordering tot volledige vergoeding van haar advocatenkosten alsnog geldend maken.

 

Overweging:

Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de advocatenkosten voor de aanmaning onder de gerechtskosten of andere kosten overeenkomstig artikel 14 van richtlijn 2004/48, onder de schadevergoeding volgens artikel 13 van de richtlijn of helemaal niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen. De verwijzende rechter acht het mogelijk dat de kosten van de precontentieuze aanmaning kunnen worden aangemerkt als andere kosten van de in het gelijk gestelde partij in de zin van artikel 14 van richtlijn 2004/48. Daarnaast houdt hij er rekening mee dat deze kosten ook als schadevergoeding in de zin van artikel 13 van richtlijn 2004/48 kunnen worden aangemerkt. De noodzakelijke kosten voor het handhaven van een stakingsvordering vormen namelijk een aantoonbare causale schade die voortvloeit uit de auteursrechtelijke inbreuk. Echter, volgens andere standpunten in de rechtspraak vinden artikel 13 noch artikel 14 van richtlijn 2004/48 toepassing. Ter motivering daarvan wordt gesteld dat de gemaakte kosten om de stakingsvordering in de precontentieuze fase geldend te maken, noch voldoende rechtstreeks noch voldoende nauw met de gerechtelijke procedure samenhangen. Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke Unierechtelijke bepalingen toepassing vinden op de plafonnering van de waarde van de vordering en de uitzonderingsbepaling die hiervoor geldt. Met name wil hij weten of de relevante richtlijnen aldus moeten worden uitgelegd dat de aanmaningskosten ook bij auteursrechtelijke inbreuken door natuurlijke personen in beginsel volledig dienen te worden vergoed. Voorts wil hij uitgemaakt zien of en wanneer bepaalde factoren ertoe kunnen leiden dat de kosten niet volledig worden vergoed.

 

Prejudiciële vragen:

1.a) Moet artikel 14 van de handhavingsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat noodzakelijke advocatenkosten die voor een houder van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 2 van de handhavingsrichtlijn zijn ontstaan doordat hij buitengerechtelijk en middels een aanmaning een stakingsvordering heeft ingesteld tegen een inbreukmaker op deze rechten, als „gerechtskosten” of „andere kosten” onder die bepaling vallen?

b) Indien vraag 1. a) ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 13 van de handhavingsrichtlijn aldus worden uitgelegd dat de in vraag 1.a) genoemde advocatenkosten in aanmerking komen voor „schadevergoeding” in de zin van die bepaling?

2. a) Moet het Unierecht, met name in het licht van

– de artikelen 3, 13 en 14 van de handhavingsrichtlijn;

– artikel 8 van de auteursrechtrichtlijn; en

– artikel 7 van de computerprogrammarichtlijn

aldus worden uitgelegd dat een houder van intellectuele-eigendomsrechten in de zin van artikel 2 van de handhavingsrichtlijn in beginsel recht heeft op volledige vergoeding van de in vraag 1.a) genoemde advocatenkosten, dan wel op vergoeding van een redelijk en substantieel deel daarvan, ook wanneer – de gestelde inbreuk is gepleegd door een natuurlijke persoon voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen, en – een nationale regeling in een dergelijk geval bepaalt dat deze advocatenkosten doorgaans slechts vergoedbaar zijn op grond van een verlaagde waarde van de vordering?

b) Indien vraag 2. a) bevestigend wordt beantwoord: moeten de in vraag 2. a) aangehaalde bepalingen van Unierecht aldus worden uitgelegd dat een uitzondering op het in vraag 2. a) genoemde beginsel, volgens hetwelk de houder van intellectuele-eigendomsrechten recht heeft op volledige vergoeding van de in vraag 1.a) genoemde advocatenkosten, dan wel op vergoeding van een redelijk en substantieel deel daarvan, met inachtneming van andere factoren (zoals bijvoorbeeld de recente aard van het werk, de duur van de publicatie en het feit dat de inbreuk is gepleegd door een natuurlijke persoon voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen), kan worden toegepast, zelfs wanneer de inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten in de zin van artikel 2 van de handhavingsrichtlijn bestaat in filesharing, dat wil zeggen de beschikbaarstelling van het werk aan het publiek door het te plaatsen op een vrij toegankelijk online uitwisselingsplatform zonder digital rights management waar alle leden het gratis kunnen downloaden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: United Video Properties (C-57/15),

Specifiek beleidsterrein: EZK