C-788/18 Stanleyparma et Stanleybet Malta

C-788/18 Stanleyparma et Stanleybet Malta

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 5 maart 2019

Schriftelijke opmerkingen: 19 april 2019

Trefwoorden : Belastingen; vrij verkeer; vestiging; diensten

Onderwerp :

- Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikelen 49, 52, 56, 57 – vrij verrichten van diensten en vrijheid van vestiging

- Beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie

 

Feiten:

In Italië is de organisatie van kansspelen in beginsel aan de Staat voorbehouden, en moet daarvoor een concessie van de staat en een politievergunning worden verkregen. Stanleybet Malta is een dochtervennootschap van de in het Verenigd Koninkrijk geregistreerde vennootschap Stanley International Betting Ltd. Stanleybet Malta heeft geen concessie, maar is in Italië actief via datatransmissiecentra (DTC). Deze DTC zamelen de gegevens betreffende de boekingen van weddenschappen in via elektronische telecommunicatiemiddelen en sturen deze gegevens door naar Stanleybet Malta, die vervolgens de weddenschapsovereenkomsten met de spelers sluit en beheert. De belasting op weddenschappen is niet alleen verschuldigd door concessiehouders, maar door alle personen die weddenschappen inzamelen voor zichzelf of voor rekening van – ook in het buitenland gevestigde – derden die geen geldige concessie hebben. In het geval van beheer voor rekening van derden, zijn deze derden hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting. In deze context heeft Stanleyparma, een DTC die in Italië voor rekening van Stanleybet Malta werkzaam is, een naheffingsaanslag ontvangen voor het jaar 2011, waarmee het douaneagentschap dit DTC heeft aangemerkt als “beheerder voor rekening van derden” van de inzameling van weddenschappen, en dus als belastingplichtige voor de belasting op weddenschappen. Daarnaast heeft zij verklaard dat Stanleybet Malta als “persoon voor wiens rekening de activiteit wordt verricht” met het DTC hoofdelijk gehouden is tot betaling van deze belasting. Stanleyparma en Stanleybet Malta hebben bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen de naheffingsaanslag en verzocht om aan het Hof een aantal vragen voor te leggen over de verenigbaarheid van de nationale regeling met het Unierecht.

 

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter zijn enkele vraagstukken over de verenigbaarheid van de Italiaanse regeling met het Unierecht niet duidelijk. Ten eerste moet Stanleybet Malta als gevolg van de regeling dubbel belasting betalen (in Malta en in Italië), waardoor inbreuk wordt gemaakt op haar vrijheid van vestiging en het beginsel van vrij verkeer van diensten. Ten tweede rijst de vraag of er geen sprake is van ongelijke behandeling, aangezien overeenkomstig de regeling, aan de belasting op weddenschappen zijn onderworpen DTC’s die aan – ook buitenlandse- exploitanten van weddenschappen zonder concessie verbonden zijn, maar niet DTC’s die verbonden zijn aan exploitanten van weddenschappen die een concessie van de Italiaanse staat hebben, aangezien de concessiehouders rechtstreeks belasting betalen. Ten derde wordt opgemerkt dat de betrokken Italiaanse regeling onlangs is gewijzigd doordat er nieuwe methoden voor de berekening van de belastinggrondslag zijn ingevoerd. De verwijzende rechter vraagt zich af of ook deze recente wijzigingen van de nationale belastingregeling DTC’s die verbonden zijn aan buitenlandse exploitanten zonder concessie, zoals verzoekster, discrimineert ten opzichte van DTC’s die verbonden zijn aan nationale concessiehouders en ten opzichte van deze concessiehouders zelf.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moeten de artikelen 56, 57 en 52 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de rechtspraak van het Hof van Justitie op het gebied van kansspelen en weddenschappen, in het bijzonder de arresten (zaak C-243/01), (zaak C-338/04), (gevoegde zaken C-72/10 en C-77/10), en (zaak C-375/14), en op het gebied van belastingdiscriminatie, in het bijzonder de arresten (zaak C-42/02), Commissie/Spanje (zaak C-l53/08), en (gevoegde zaken C-344/13 en C-367/13), en de Unierechtelijke beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, mede in het licht van het arrest van de Corte Costituzionale van 23 januari 2018, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als de Italiaanse regeling in het hoofdgeding, volgens welke nationale tussenpersonen die spelgegevens doorgeven voor rekening van in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde exploitanten van weddenschappen, inzonderheid met de kenmerken van de vennootschap Stanleybet Malta Ltd, en eventueel de exploitanten van weddenschappen zelf hoofdelijk met hun nationale tussenpersonen, onderworpen zijn aan de belasting op weddenschappen en kansspelen als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van decreto legislativo nr. 504 van 23 december 1998, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 66, onder b), van de Legge di Stabilità 2011?

2. Moeten de artikelen 56, 57 en 52 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de rechtspraak van het Hof van Justitie op het gebied van kansspelen en weddenschappen, in het bijzonder de arresten (zaak C-243/01), (zaak C-338/04), (gevoegde zaken C-72/10 en C-77/10), en (zaak C-375/14), en op het gebied van belastingdiscriminatie, in het bijzonder de arresten (zaak C-42/02), Commissie/Spanje (zaak C-l53/08), en (gevoegde zaken C-344/13 en C-367/13), en de Unierechtelijke beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, mede in het licht van het arrest van de Corte Costituzionale van 23 januari 2018, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling als de Italiaanse regeling in het hoofdgeding, volgens welke alleen nationale tussenpersonen die spelgegevens doorgeven voor rekening van in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde exploitanten van weddenschappen, inzonderheid met de kenmerken van de vennootschap Stanleybet Malta Ltd, onderworpen zijn aan de belasting op weddenschappen en kansspelen als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van decreto legislativo nr. 504 van 23 december 1998, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 66, onder b), van de Legge di Stabilità 2011, en niet tevens nationale tussenpersonen die spelgegevens doorgeven voor rekening van exploitanten van weddenschappen met een door de staat verleende concessie die dezelfde activiteit verrichten?

3. Verzetten de artikelen 52, 56 e. v. van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de rechtspraak van het Hof van Justitie op het gebied van kansspelen en weddenschappen en de beginselen van gelijke behandeling en nondiscriminatie zich, mede in het licht van het arrest van de Corte Costituzionale van 23 januari 2018, tegen een nationale regeling als de Italiaanse regeling in artikel 1, lid 644, onder g), van wet nr. 190/2014, volgens welke nationale tussenpersonen die spelgegevens doorgeven voor rekening van in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde exploitanten van weddenschappen, inzonderheid met de kenmerken van de vennootschap Stanleybet Malta Ltd, en eventueel de exploitanten van weddenschappen zelf hoofdelijk met hun nationale tussenpersonen, gehouden zijn tot betaling van de belasting op weddenschappen en kansspelen als bedoeld in decreto legislativo nr. 504/1998 over een forfaitaire belastinggrondslag ten bedrage van drie maal het gemiddelde bedrag dat wordt ingezameld in de provincie waar de inrichting of het inzamelpunt zich bevindt, zoals afgeleid uit de gegevens die de nationale totalisator heeft geregistreerd voor het belastingtijdvak voorafgaand aan het betrokken belastingtijdvak?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-243/01; C-338/04; C-72/10 en C-77/10; C-375/14; C-42/02; Commissie/Spanje C-l53/08; C-344/13 en C-367/13.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; JenV; EZK

​​​​​​​