C-796/18 Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung

C-796/18 Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 28 februari 2019
Schriftelijke opmerkingen: 14 april 2019

Trefwoorden : Overheidsopdrachten, aanbestedingen, overheidsinstanties

Onderwerp : - Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG

 

Feiten:

De stad Keulen is in 2016 op zoek gegaan naar nieuwe software voor het meldkamersysteem van haar beroepsbrandweer. Zij keek hiervoor onder andere naar de door de deelstaat Berlijn gebruikte software IGNIS Plus van Sopra Steria Consulting GmbH (hierna: “SSC”). De overeenkomst tussen Berlijn en SCC laat toe dat Berlijn de software IGNIS Plus kosteloos doorgeeft aan andere overheidsinstanties met veiligheidstaken (hierna: “BOS”). De stad Keulen en de deelstaat Berlijn sluiten overeenkomsten betreffende een kosteloze langdurige terbeschikkingstelling en gebruik van de software IGNIS Plus. Informatikgesellschaft für Software-Entwicklung (ISE), dat voor BOS software ontwikkelt en te koop aanbiedt, vordert nietigverklaring van de overeenkomsten. Zij stelt dat de overeenkomsten tussen de stad Keulen en de deelstaat Berlijn, die een juridische eenheid vormen, zijn onderworpen aan het aanbestedingsrecht en dat de verwerving daarom Europabreed diende te worden aanbesteed.

 

Overweging:

Tussen partijen is in geschil hoe de begrippen “overheidsopdracht” en “overeenkomst onder bezwarende titel in de zin van artikel 2, lid 1, punt 5, van richtlijn 2014/24 moeten worden uitgelegd. Bij een ruime uitleg van deze begrippen valt de samenwerking tussen stad Keulen en de deelstaat Berlijn binnen de reikwijdte van 2014/24. Een vervolgvraag is dan welke uitleg moet worden gegeven aan de in artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/24 opgenomen uitzonderingen die gelden voor de toepasselijkheid van de richtlijn op overheidsopdrachten tussen entiteiten in de overheidssector.

​​​​​​​

Prejudiciële vragen:

1. Is een schriftelijke overeenkomst betreffende de terbeschikkingstelling van software door het ene overheidsorgaan aan het andere overheidsorgaan, waaraan een samenwerkingsovereenkomst is verbonden, een „overheidsopdracht” als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 5, van richtlijn 2014/24/EU, respectievelijk een – in ieder geval vooralsnog, behoudens het bepaalde in artikel 12, lid 4, onder a) tot en met c) – binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallende overeenkomst als bedoeld in artikel 12, lid 4, van de richtlijn, wanneer de ontvanger van de software hiervoor weliswaar een prijs noch een vergoeding van de kosten hoeft te betalen, maar de met de terbeschikkingstelling van de software verbonden samenwerkingsovereenkomst erin voorziet dat iedere samenwerkingspartner – en dus ook de ontvanger van de software – mogelijke toekomstige, echter niet verplichte eigen doorontwikkelingen van de software kosteloos aan de andere partner ter beschikking stelt?

 

(Ingeval van bevestigend antwoord van vraag 1, wordt toegekomen aan de volgende vragen)

2. Moeten op grond van artikel 12, lid 4, onder a), van richtlijn 2014/24/EU de aan de burger te verlenen openbare diensten [Or. 3], die gezamenlijk moeten worden verleend, zelf voorwerp van de samenwerking van de deelnemende aanbestedende diensten zijn, of is het voldoende dat de samenwerking betrekking heeft op werkzaamheden die in dezelfde mate, maar niet verplicht gezamenlijk in een of andere vorm voor de te verlenen openbare diensten worden uitgevoerd?

 

3. Geldt binnen het kader van artikel 12, lid 4, van de richtlijn 2014/24/EU een ongeschreven zogenoemd verbod op bevoordeling en, zo ja, wat houdt dit in?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-51/15, C-386/11

Specifiek beleidsterrein: BZK, EZK